"Houden van" gaat niet uit plichtsbesef!

Beste vrienden,

... en dan zijn de kinderen plots het huis uit! Voorbij de tijden dat het in huis altijd druk was, dat een van de kinderen altijd wel iets wilde en het leven in huis de klok rond bruiste. Het wordt rustig in huis…

Hoe dikwijls hebben we niet naar dergelijke rust verlangd, vroeger, toen de kinderen nog klein waren! Toch één keer eens een avond met ons tweetjes alleen, een avond rust...  Toen droomden we daar van en nu is dat zonder meer mogelijk. De nodige vrijheid om met ons tweetjes samen iets te ondernemen, veel vrije tijd die we terug kunnen invullen, tijd die, wanneer je hem goed kan invullen, het leven een heel nieuwe kwaliteit kan bieden. Die nieuwe periode in ons leven biedt ook veel nieuwe kansen, wanneer we ze ook als kansen zien.   

Maar, en dat kan je niet wegcijferen, er blijft een wat rare bijsmaak. Want er valt zo menig zwart gat en er blijven ook wel wat weemoedige herinneringen. Die kleine kinderen, die je moest dragen en ook regelmatig terug overeind helpen, zijn nu volwassen vrouwen en mannen geworden. Ze gaan hun eigen weg, leven hun eigen leven, en komen misschien nog maar af en toe naar huis.  

Maar ze komen! En dat is toch het belangrijkste. Ze komen telkens weer – en niet omdat ze moeten – maar omdat er toch iets is wat hen naar huis trekt, gewoon omdat het goed is om weer eens thuis te zijn, en omdat er een relatie is die hen vast met elkaar verbindt, een relatie die hun ganse leven is gegroeid, die telkens weer veranderde maar die zich ook steeds dieper heeft ingegraven.  

Ik kan het me voorstellen dat het bij de meesten onder U ook juist zo is geweest, en dat wens ik jullie ook van ganser harte toe! Want het loopt niet altijd zo. Soms vertrekken kinderen ook heel anders uit het ouderlijke huis, en soms gebeurt het ook dat relaties afkoelen. Soms verkommert dat contact met de ouders tot een maatschappelijke gewoonte en tot een lastige plicht.

Een dergelijke uit de hand gelopen relatie heeft Johannes de Doper ook voor ogen wanneer hij de mensen in zijn tijd een spiegel voorhoudt. Er zijn mensen die zeggen: “Abraham is toch onze vader.”, Juist zoals we vandaag zouden zeggen: “Ons kan toch niets overkomen, we zijn toch allemaal kinderen van God!”

Dat zeggen de mensen, maar dan laten ze die God voor de rest maar links liggen, net zoals een oud geworden vader die je af en toe, uit zuiver plichtsbesef in het weekend in de viering bezoekt, als in een rust en verzorgingstehuis. Een houding die destijds in het Israël van Johannes de Doper even gebruikelijk was als in onze huidige kerkelijke praktijk. Een mentaliteit die door de mensen in het toenmalige Israël even voldoende werd geacht als door vele christenen in onze tijd.   

Alsof ouders enthousiast en begeesterd zouden zijn wanneer hun kinderen het contact met hen nog alleen maar uit zuiver plichtsbesef in stand zouden houden. God droomt van iets heel anders. Hij droomt ervan dat er in de loop der jaren tussen ons en Hem werkelijk iets gegroeid is, iets wat ons, altijd weer, naar Hem toe trekt, ons naar zijn hand doet zoeken. Hij droomt ervan dat wij zijn raad vragen wanneer het er om gaat ons dagelijkse leven te organiseren! Hij droomt ervan dat wij zouden begrijpen, dat wanneer Hij ons grenzen oplegt, dat alleen maar gebeurt omdat datgene wat achter die grenzen ligt, helemaal niet goed voor ons zou zijn. Deze God droomt van een echte, levende en diepe relatie tussen Hem en zijn kinderen. Hij is Vader en Moeder tegelijk, en al diegenen onder U die kinderen hebben, weten maar al te goed wat dat betekent. Hij voelt alles aan zoals ouders dat doen. En ouders zullen daarom ook het best begrijpen waar deze God van droomt. Van alle mogelijke dingen, maar niet van enkel plichtsbesef. Want om plichtsbesef gaat het bij ouders niet!   Amen