Wees niet bang om volmondig JA te zeggen!

Beste vrienden,
Je kan je in mensen vergissen, soms zelfs heel erg vergissen. En ik ben er zeker van dat sommigen onder u daar zeker over kunnen meespreken. Je hebt bv een afspraak, en de andere partij daagt niet op. De loodgieter heeft beloofd er heel zeker te zijn en hij komt niet. Het reisbureau heeft u een heel rustige kamer beloofd, en nu zijn er buiten luidruchtige bouwwerken aan de gang. Allemaal ontgoochelingen waaraan je je ergert en die je ontevredenheid aanwakkeren, maar waar je uiteindelijk toch iets aan kan doen. Veel erger is het wanneer een ooit gezworen liefde schipbreuk lijdt. Wanneer de toch zo zeker gewaande job bedreigd is of wanneer een zware ziekte je toekomst hypothekeert. Ervaringen waarin een “Ja” plots een “Neen” wordt vinden we op alle niveaus, en soms lijkt het wel of alles gewoon verkeerd verpakt is; zo naar het motto: wat er aan de buitenkant op staat zit er helemaal niet in!

Ook God kent die tegenstrijdigheden in datgene wat mensen eerst zeggen en wat ze daarna echt doen. En juist dat wil Jezus ons in zijn parabel duidelijk maken. Hij wijst er ons op dat God ons bij het woord neemt, ook op het gevaar af dat Hij door ons ontgoocheld zal worden, zoals de vader door de eerste zoon in het verhaal. Die heeft alleen maar met woorden toegezegd de wil van zijn vader te doen, maar gedaan heeft hij helemaal niets. De tweede zoon daarentegen weigert vlakaf de wens van zijn vader uit te voeren, omdat hij daar, op dat ogenblik, helemaal geen zin in heeft, en dat geeft hij ook vrank en vrij toe. Maart even later heeft hij spijt over zijn gedrag, zijn slecht geweten speelt hem parten, en uiteindelijk doet hij dan toch wat zijn vader van hem vroeg.

Jezus vertelt deze parabel aan de hogepriester en de oudsten, dus aan diegenen waarvoor niets anders kon dan tegen God „Ja“ te zeggen. Alleen: wat ze daarna deden, hoe ze zich gedroegen, dat kwam volgens Jezus helemaal niet overeen met datgene wat God van hen verwachtte.

Wanneer we deze parabel vandaag horen, dan is de intentie die erachter zit nog altijd dezelfde als toen. Het gaat er dus om dat we bij onszelf even nagaan of ons “Ja” tegenover God nog altijd oprecht is, of wij het nog steeds in woord en daad ernstig nemen.   
Herinnert u het zich nog? Bij het doopsel van onze kinderen werden we als ouders gevraagd of we bereid waren om onze kinderen in het geloof op te voeden. En als vanzelfsprekend hebben we die vraag allemaal met “Ja” beantwoord. In elke paasnacht en bij steeds weerkerende hernieuwingen van de doopgeloften worden we gevraagd, of we achter dat geloof aan God staan met alle daaruit voortvloeiende consequenties. En ook daarop antwoorden we doorgaans zonder lang nadenken met “Ja”. Bij elk huwelijk wordt aan het bruidspaar dezelfde vraag gesteld. En geen enkele onder hen heeft die vraag met “neen” beantwoord. Toch niet bij mij in elk geval. Wanneer we straks, of later thuis, het “Onze Vader” bidden, dan zeggen we heel vanzelfsprekend “Uw wil geschiede” en bekrachtigen dat op het einde met Amen! Maar lossen we al die “Ja’s” van ons ook daadwerkelijk in? Met die parabel over de beide zonen heeft Jezus de Jaknikkers aan al hun gemiste mogelijkheden herinnerd. Ondanks de prediking van Johannes de Doper weken de Hogepriester en de oudsten niet af van hun gewoonte van „ja“ knikken en niets doen, terwijl vele anderen wel de kans van ommekeer en navolging in woord en daad grepen. Daarom riep Jezus hen toe: “Tollenaars en hoeren gaan u voor naar het koninkrijk van God”. Een heel moedige uitspraak. Ik zou me de reactie echt niet willen voorstellen wanneer ik hier vandaag iets gelijkaardigs zou verkondigen.

Zouden drugsdealers, terroristen, bedriegers en boeven, meisjes van plezier en andere criminelen dan eerder in Gods rijk komen dan ikzelf? Ik, die hier samen met U de viering mee voorga? Zouden wij, die ons in deze viering allemaal tot God bekennen, in zijn genegenheid echt ten achtergesteld worden ten overstaan van dergelijke randfiguren? Dat zou toch wel sterke koffie zijn – vinden jullie dat ook niet?
Maar opgelet: Jezus wil met zijn strenge woorden helemaal geen oordeel uitspreken – noch over de hogepriester en de oudsten, noch over ons. Hij weet immers zeer goed dat onze daden evengoed kunnen veranderen dan onze woorden. En bovendien, er zijn niet alleen die twee mogelijkheden: Ja te zeggen en dan toch anders te handelen, of neen te zeggen en de taak dan toch uit te voeren. Jezus zelf heeft ons een derde weg getoond, de weg die Hij zelf is gegaan en die Hij ons heeft voorgeleefd.  Die weg is ook voor ons begaanbaar en kan in de daad worden omgezet. Hij stelt als enige voorwaarde dat wij angst noch wantrouwen koesteren tegenover God.
Is het inderdaad niet zo dat veel van onze “Ja’s” gewoon voortkomen uit pure angst voor Hem? Wij zeggen ja en willen op die manier God behouden als een soort levensverzekering. Wij zijn bang dat Hij, wanneer we neen zouden zeggen, zijn beschuttende hand van ons zou wegtrekken. Die angst is zo groot dat ik dan toch maar liever ja zeg, alhoewel ik eigenlijk neen bedoel. Dus een “Ja” uit angst dat God ons zou kunnen straffen indien we “Neen” zeggen. En weest gerust, met een dergelijke visie staan jullie echt niet alleen. Dat heb ik uit veel gesprekken mogen ervaren.  
Velen onder ons vermoeden namelijk dat God erop staat dat we rigoureus zouden gehoorzamen. En dat resulteert dan, zoals bij veel ouders tegenover hun kinderen, bij interne bedrijfshiërarchieen tegenover de medewerkers, en ook bij kerkelijke hiërarchieën tegenover de medewerkers en het kerkvolk, in een niet tegengesproken toegeven of in een onverschillige aanpassing. Maar is het dat wat God wil?    
Jezus spreekt ons toch nooit over zulk een rigoureuze God, maar wel over een liefhebbende Vader. Een vader die kan wachten tot wij in staat zijn om eerlijk en overtuigd “Ja” te zeggen. Maar dat kan alleen maar wanneer we God werkelijk zonder angst en zonder wantrouwen tegemoet kunnen treden. Maar hoe kunnen we met dergelijke negatieve gevoelens tegenover God omgaan, of hoe kunnen we dat soms zo duistere beeld van Hem, dat er misschien in onze kindertijd werd ingedrild, corrigeren?

Dat kan zeker niet van vandaag op morgen. Dat beseffen we allemaal wel; Maar we kunnen aan die gevoelens, aan dat vertrokken Godsbeeld, werken. Er kunnen terug goede gevoelens groeien en dat erg duistere beeld kan, mits veel geduld en voorstellingsvermogen, terug vernieuwd en kleurrijk worden gerestaureerd. We moeten niet te veel luisteren naar wat anderen over God zeggen, maar we moeten zelf de ontmoeting met Hem zoeken. Dan kunnen we langzaam terug vertrouwd worden met wat Hij wil en dan zullen ook wij, net zoals Jezus, volmondig Ja tegen hem kunnen zeggen. Want Jezus heeft ons voorgeleefd dat het doen van de wil van de Vader geen belasting is, maar de ultieme weg naar de volheid van het leven.   

God heeft geduld! Hij wacht op ons “Ja” tegenover Hem. Een ja dat niet uit angst voortspruit maar uit diep vertrouwen. Misschien kunnen we een dergelijk Ja maar na een lange tijd, en na vele gesprekken met Hem, werkelijk uitspreken. Maar die tijd moeten we ervoor nemen. Ondanks het vele werk en de dagelijkse sleur. Want God houdt de deur altijd voor ons open, Hij zal nooit “Ja maar”, maar altijd onvoorwaardelijk “Ja” tegen ons zeggen. En wanneer wij, vrij van angst, ook Ja tegen Hem kunnen zeggen, dan zal dat niet zonder gevolgen blijven, noch voor ons, noch voor de mensen rondom ons.  Amen