Christus Koning (1999)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 201 niet laden
Er is een verhaaltje over twee pastoors die hun collega's eens op de proef wilden stellen. Ze lieten een paar dagen hun baard staan, trokken oude kleren aan, maakten hun haren in de war en eruitziend als verlopen typen, klopten zij aan bij de pastorieen van hun collega's, met wie zij zondag te voren, onder het genot van een glas wijn nog uitgebreid geredeneerd hadden over naastenliefde, geregerechtheid, het evangelie en andere goede zaken. Overal waar zij aanbelden, ontmoetten zij bekende gezichten, maar zelf werden ze niet herkend.
En zij vroegen om wat te eten, maar de deur werd voor hen dichtgesmeten; zij vroegen om een bed voor de nacht, maar werden bars verwezen naar het politiebureau; ze vroegen om wat geld, maar werden uitgescholden voor nietsnutten. Ze waren nergens welkom. Dat hadden ze ook wel een beetje verwacht, maar de hardheid en bitsheid die ze tegenkwamen schokten hen toch.
Tot zover dit verhaaltje, het is waarschijnlijk niet echt gebeurd, maar onmogelijk is het niet. Het lijkt een beetje op het verhaal van die Duitse journalist die jaren geleden, vermomd als Turk, ging werken in verschillende Duitse fabrieken en het boek, dat hij schreef over zijn ervaringen, bevat nogal wat dramatische onthullingen.
Naastenliefde, de zorg voor de medemens. Dat willen we allemaal best. De gelijkenis uit het evangelie van vandaag maakt echt wel indruk op ons: alwat je doet voor de minsten der mijnen, doe je aan mij. Dat willen we allemaal best, alleen wij kiezen wel graag zelf uit wie en hoe we helpen.
Je hebt mensen die wel bijdragen aan een collecte voor bijvoorbeeld de kankerbestrijding, maar niet aan een voor daklozen of zwervers, die nietsnutten wordt er dan gezegd. Je hebt mensen die wel geld geven voor een hongerend Soedan, maar die moord en brand schreeuwen als een gevluchte Soedanees met zijn gezin naast hen wonen. Een soortgelijke situaties zijn er volop.
Nu moeten we natuurlijk wei realistisch blijven. Zorg dragen voor de minsten van mijn broeders dat is in de concrete omstandigheden van ons leven vaak een hele moeilijke zaak. Als bij mij een bedelaar aanklopt, dan krijgt hij waarschijnlijk niets, niet omdat ik arme mensen niet wil helpen, maar iemand die in deze tijd zomaar bij een wildvreemde aanklopt, dat zijn niet de echte armen. Die hebben het meer nodig voor een borrel.
Toch zijn ook die mensen de minsten van mijn broeders, je mag ze dan ook nooit afsnauwen of zoiets. Er zijn natuurlijk ook talloze situaties dat je best zou willen helpen, maar het gewoon niet kunt. Je kunt wel met iedereen medelijden hebben, maar je kunt nooit iedereen concreet helpen.
Toch moeten we onszelf vragen stellen: Of we in onze zorg en aandacht voor de medemens niet te gauw denken dat wij niets kunnen doen, of dat iets niet van ons gevraagd kan worden, of we niet te gauw vinden dat die of die mens er niet onder valt. God heeft een voorkeur voor de minsten van mijn broeders: hij wil dat dat ook onze voorkeur is, zonder voorbehoud: dan wordt zijn Rijk werkelijkheid in ons.