Heilige rest (2011)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 198 niet laden

HULPELOOSHEID

Ik geloof niet dat mijn oudste zus ooit een bekeuring heeft gehad. Dat kwam niet omdat ze zich altijd aan de verkeersregels hield! Het kwam misschien omdat ze vrouw was, maar vooral omdat ze de kunst verstond om zich uiterst kwetsbaar op te stellen. ‘Rijbewijs, mevrouw!' ‘Ja zeker, officier', zei ze dan en begon in haar tasje te rommelen. ‘Dat is toch zo'n rose ding. Ik heb het altijd bij me, wacht even...' ‘We hielden u aan omdat een achterlicht niet brandt!' ‘Wat, brandt het achterlicht niet? Hoe kan dat nou? Ik ben vorige week nog in de garage geweest. Moet ik nu een nieuwe auto kopen?' ‘Nee mevrouw, u moet reservelampjes bij u hebben.' Tenslotte kreeg ze het gedaan dat de politie haar het lampje inzette. Het was nog in de tijd vóór de bonnenquota. Haar hulpeloosheid wekte vertedering op bij de agenten.

 

HOOGMOED

We schrijven 650 vóór Christus. In Jeruzalem regeert koning Josia. Aan het hof doet de profeet Sefanja van zich horen. Als klein land, gelegen op een handelskruispunt tussen grote wereldrijken, is Israël erg afhankelijk van het buitenland. Het rijke Noorden was het slachtoffer geworden van het Assyrische Rijk. Maar intussen was Babylon begonnen zijn macht uit te breiden. Sefanja ziet onheil naderen. Het irriteert hem dat de moraal is ingestort. De invloedrijken in het land zijn corrupt en eerloos. Hoogmoed heerst. Er is onverschilligheid als het gaat om traditie en godsdienst. Hij gelooft niet meer dat de leiders van kerk en staat het onheil kunnen keren. De toekomst kan alleen geboren worden in de ‘heilige rest', zoals hij dat noemt: bij de gewone mensen die eerlijk zijn, die gastvrijheid als een deugd onderhouden, die af en toe hun gebed richten tot de Hoogste. De heilige rest, daartoe behoren ook de rijken van Samaria die weggevoerd waren in ballingschap. In den vreemde, ontheemd en ontworteld, hebben ze opnieuw geleerd dat een mens zelf de touwtjes niet in handen heeft, dat hij afhankelijk is. Hun religieuze zin is weer gegroeid nu hun hoogmoed gevallen is.

 

JONKIES

‘Mijnheer pastoor, Tanja heeft iets voor u gemaakt.' De vijfjarige Tanja verstopte haar gezicht in moeders rok. Ten onrechte, want ze had iets prachtigs gemaakt. Op een groot vel papier had ze babydieren geplakt. Een baby-zeehond, een baby-giraffe, een puppy en een lammetje. Ze was er zelf dol op. Niets wekte zoveel tederheid dan hulpeloosheid. God wordt niet door onze hoogmoed ontroert maar door onze kwetsbaarheid.

De traditie van die heilige rest heeft zich verder ontwikkeld in het godsdienstig aanvoelen van Israël. Voor mensen die alles hebben, die van gekkigheid niet meer weten wat ze moeten kopen, die zich wat depressief vervelen in hun dure paleizen en op de meest luxueuze vakanties, voor hen bestaat geen hoop meer, geen verwachting. Maar mensen die hun afhankelijkheid beseffen, die weten hoe klein ze zijn, voor hen is er veel om naar uit te zien!

 

VOL VERWACHTING

Jezus laat zijn blik dwalen over het volk dat is komen opdagen. Het zijn vooral de armen. Hij ziet veel zieken en mensen met gebreken. De gegoede burgers ontbreken. Die zijn bang voor elke verandering. Die zoeken geen nieuwe inspiratie! Dan komt bij Jezus dat oude idee naar boven van de heilige rest, van de mensen die niets te verliezen hebben maar alles te winnen. Van de bannelingen in Assur en Babylon, want zij, de hulpelozen, de verwondbaren, zij zullen het land veroveren. De barmhartigen, de rechtvaardigen zijn de toekomst van de kerk en de wereld.
Sefanja zou een kleinzoon geweest zijn van koning Hizkia. Hij verkeert in koninklijke kringen aan het hof van Josia. Maar hij gelooft niet meer in hervormingen, in revoluties, in wetgeving. Hij gelooft in de kracht van eenvoudige mensen die weten dat zij vandaag gezond zijn en morgen misschien ziek; die beseffen dat zij voedsel hebben en volgend jaar wellicht honger; die zich realiseren dat ze in vrede leven, en in de toekomst misschien niet meer. Hij beseft dat in hun hart het ware geloof bestaat: de hoop op een wereld naar Gods hart. Beste mensen, wij zijn geroepen om die heilige rest te zijn.

 

PEDRO EN LEO

Lieve kinderen. Leo-de-leeuw was de koning van het bos. Dat vond-ie tenminste zelf. Leo liep waardig, bijna sluipend door zijn rijk. Hij gaapte vaak en dan keken zijn onderdanen vol ontzag naar zijn scherpe tanden. Leo joeg op konijnen en muizen; hij keek neer op al dat kleine, laag bij de grondse grut!In het woud waren jagers. Eentje had Leo in zijn kijker gezien. Die prachtige leeuw moesten ze hebben; die zou veel geld opleveren! De jagers onderzochten langs welk pad Leo zijn avondwandeling maakte. Ze groeven een valkuil die ze met takjes afdekten. In een boom bleven ze wachten. En jawel, daar kwam Leo. Hij liep recht op de valkuil af en even later lag hij verbijsterd op de bodem met de poten in de lucht. Er viel een vangnet over hem heen en hij werd omhoog getakeld. De jagers hingen het vangnet in een dikke boom bij hun tent.
Die nacht kwam er een muisje langs. Pedro. ‘Wat hang jij daar te hangen?', vroeg Pedro. Toen gebeurde er iets wat nooit eerder was gebeurd: de koning van het woud begon te huilen. Er rolden dikke tranen uit zijn ogen en hij vertelde zijn verhaal. ‘Zal ik je helpen?', vroeg Pedro. ‘'Jij, kleine muis? Wat wil jij tegen die jagers? Wat kan jij dat ik niet kan?', klaagde Leo. Maar Pedro begon te knagen aan het touw waarmee het vangnet aan de boom hing. Het duurde even, maar toen, met een plof viel het net op de grond en Leo ontsnapte. Leo had geleerd dat een klein muisje zijn redding was!