3e zondag van de veertigdagentijd A - 2002

Zusters en broeders,

Dit  tamelijk lang evangelie is bijzonder rijk aan inhoud. Het doopsel,  de werking van de Geest van God in de mens, bekering, inzicht:  het zit er allemaal in. Maar het is ook en vooral het verhaal  van  een ontmoeting, en daar wil ik even blijven bij stilstaan.

Een  ontmoeting dus, en wàt voor een ontmoeting. Om te  beginnen:  Jezus mag daar eigenlijk niet zijn, want Samaria, dat is voor rechtgeaarde joden te mijden gebied. Samaritanen zijn immers niet 'zuiver  op de graad'. Tijdens de ballingschap hebben ze zich vermengd met de  Assyriërs,  zodat er onecht bloed door hun aderen vloeit, en ook hun  geloof  is niet wat het moet zijn. Wie op reis is, kan Samaria maar  beter  vermijden,  en  trek je er toch doorheen, dan ben  je  meteen  onrein  en  mag je zelfs voor een bepaalde tijd de tempel niet  meer  binnen.  En wat doet Jezus? Dwars tegen dat religieuze fanatisme  en  racisme in trekt Hij wèl door Samaria.

Maar  Jezus gaat nog veel verder. Het is op het middaguur, het is  snikheet  en Hij heeft dorst. Dus vraagt Hij aan een vrouw die  daar  water  komt putten om Hem te drinken te geven. Hij bakt het dus hèèl  bruin:  niet  alleen gaat Hij door verboden gebied, Hij spreekt  ook  nog  iemand aan, en dan nog wel een vrouw. Welnu, dat kàn niet;  een  joodse  man kàn en màg in het openbaar geen vrouw aanspreken,  zelfs  niet  zijn  eigen  vrouw,  zijn  zus  of  zijn  moeder.  Vandaar  de  stomverbaasde reactie van die Samaritaanse: "Hoe kunt Gij, een jood,  aan  mij, een Samaritaanse en bovendien een vrouw, hoe kunt Gij  aan  mij  te drinken vragen!" En ook de apostelen weten niet wat ze zien,  maar  ze  zeggen  geen  woord.  En  weet  ge  waarom?  Omdat  ze  zo  geshockeerd  en gegeneerd zijn om wat Jezus doet dat ze er niet eens  zouden durven over spreken.

Zusters  en  broeders,  Jezus sloopt hier dus ineens  een  aantal  metersdikke   muren  die  door  mensen  rond  andere  mensen  werden  opgetrokken, muren waarmee de ene mens de andere voortdurend in zijn  eigen  privé-gevangenis  opsluit. "Weg daarmee", zegt  Jezus,  "want  iedereen  is  een kind van God, ook de Samaritanen, ook de  vrouwen,  ook diè vrouw.

Ook  diè  vrouw, inderdaad, want het is een vrouw met een  reukje  aan.  Waarom  komt  ze  anders  in de  ondraaglijke  hitte  van  het  middaguur,  als iedereen siesta houdt, in haar eentje water  putten?  Water  halen  doen  de  vrouwen  's morgens, én  in  groep.  Dat  is  veiliger,  want de put ligt een heel eind buiten de stad, en het is  ook  gezelliger,  want de put is bij uitstek de plaats waar  vrouwen  elkaar  ontmoeten. Water putten is dus een sociaal gebeuren, en daar  hoort die vrouw blijkbaar niet bij. Waarom blijkt misschien verderop  in  het  verhaal,  wanneer Jezus zegt dat ze al  vijf  mannen  heeft  gehad,  en dat de man met wie ze nu samenleeft niet hààr man is. Die  vrouw  zal  dus  wel  geweten hebben waarom ze liefst  niet  in  het  gezelschap  van  andere vrouwen was. Meer dan waarschijnlijk was  ze  daar ook niet echt gewenst.

En  toch,  zusters en broeders, toch heeft Jezus precies met  die  vrouw  een bijzonder diepgaand religieus gesprek. Ik ken zelfs  geen  andere  plaats  in  het  evangelie waar Jezus met  iemand  privé  zo  diepgaand  dialogeert.  Over het levende water, wat staat  voor  het  échte  leven dat van God komt, over de aanbidding in de geest en  in  waarheid  en over de christelijke zending. En Jezus gaat nog verder:  Hij  zegt  iets dat Hij anders zo goed als nooit zegt, namelijk: Ik ben de   Messias.   En  dat  allemaal  tegen   die   half-heidense  Samaritaanse, tegen die vrouw met een reukje aan, die vrouw die zich  in de gemeenschap niet kon of durfde vertonen.

Zusters  en broeders, ge kent het gevolg: die vrouw is zo  gepakt  dat Jezus haar au sérieux neemt, dat ze meteen zijn eerste missionaris  wordt. Want dat is ze inderdaad: Jezus' eerste missionaris.  Niet de apostelen zijn dat dus, wel die vrouw. Ze  laat  haar kruik achter en loopt naar de stad. En zij, die zich  een  uur  voordien  niet in het openbaar durfde of kon vertonen,  zet nu onbevreesd de  hele  stad op stelten, en of ze willen of  niet,  ze  moeten  met  haar  meekomen,  want die Jezus, dat zou  wel  eens  de  Messias  kunnen  zijn.  En hoe sterk ze moet geworden  zijn,  blijkt  overduidelijk  uit het feit dat ze haar nog geloven ook. Ze gaan met  haar mee, en zo ontmoeten ook zij Jezus, en ze geloven.

Zusters en broeders, Jezus geeft ons hier een harde les. Want hoe  gemakkelijk  staan  wij niet klaar met ons oordeel, beter  nog:  ons  vooroordeel.  "Die deugt niet, dat weet toch iedereen." En: "Aan die  moet  ge niets vragen, want die wil toch niet helpen." Of: "Wat  zou  die  daar nu van weten, die kan toch niets."  -  "Hou daarmee op",  zegt  Jezus,  "geloof  in het goede in mensen, en ge zult  verstomd  staan  over  de inzet, de verborgen kwaliteiten, de geestdrift die ge  zult  ontmoeten.  Hou  op met mensen af te schieten nog voor ze een  woord  gesproken  of een voet verplaatst hebben. Hou daarmee op, geloof  in  elkaar  en  bevestig  elkaar,  zoals Ik geloof in u en  zoals  Ik  u  bevestig."

Zusters en broeders, laten we daar werk van maken. Amen.