Leven is liefhebben

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden

Eens stelde een Schriftgeleerde Jezus de vraag: "Wat is het voornaamste gebod in de wet?" Misschien klinkt deze vraag niet sympathiek. In onze vrijgevochten maatschappij hebben veel mensen een hekel aan de wet, aan geboden en verboden. Ze verdragen geen wetten en willen er ook niet over horen. Zij weten zelf wel wat ze moeten doen. Heel wat mensen keren de Kerk de rug toe juist omdat ze haar zien als een instituut dat het voortdurend heeft over geboden en verboden. Dat is jammer. In de Griekse evangelietekst (het evangelie werd in het Grieks geschreven) staat niet het woord ‘verbod', er staat ‘opdracht'. Welk is de voornaamste opdracht die God aan ons geeft? Dat klinkt heel anders. De voornaamste opdracht van de mens is God en de mens liefhebben.

"God kan je toch niet gebieden Hem lief te hebben en je kunt toch ook niet je medemens liefhebben op commando" zo hoor je soms de mensen redeneren. En inderdaad: liefde ontstaat niet uit plicht, komt niet voort uit een wet. Liefde laat zich niet dwingen en kent geen beperkingen, want beminnen dat doe je altijd met heel je hart en heel je ziel en al je krachten. Dan moeten we duidelijk zeggen wat wij onder liefde verstaan. Het woord liefde dekt meerdere begrippen. Men kan verliefdheid bedoelen, men kan aan ouderliefde denken, het kan waardering betekenen of gewoonweg naastenliefde. De liefde die hier gevraagd wordt betekent niet dat je al de anderen lief moet hebben, je kan geen warme gevoelens koesteren voor iedereen. De liefde waarvan het evangelie spreekt betekent: God en de mens hun rechten geven, hen de plaats geven in ons leven die hen toe komt. Je moet God, God laten zijn in je leven: Hij is de enige en naast Hem is niemand. En je evenmens moet je een evenwaardige plaats geven als jezelf. Wie voor God kiest kan niet aan zijn evenmens voorbijgaan, die door God geschapen is naar zijn beeld en gelijkenis. De liefde tot God en tot de naaste zijn als twee deuren die alleen maar tegelijkertijd open en dicht kunnen gaan.

Wij hebben de mensen niet lief omdat ze zo aardig en beminnelijk zijn. Wij hebben ze lief omdat God ons allen met dezelfde liefde bemint. Vooraleer God die liefde van ons verwacht, heeft Hij ons reeds als eerste liefgehad. Onze liefde kan slechts een antwoord zijn op zijn liefde. De bron van alle liefde ligt bij God. Niemand immers kan met een eerlijk hart zeggen: ‘ik heb God lief', als hij niet eerst zelf ervaren heeft dat God hem liefheeft. Maar de liefde die ik van God ervaren mag zet ons allen aan om deze liefde verder te geven aan de anderen. Wie in de mens Gods beeld en gelijkenis ontkent, doet de mens onrecht aan.

Zo begrijpen we dat dit gebod van de liefde, of beter gezegd, deze opdracht tot de liefde, ons niet wordt opgedrongen van buitenaf, maar helemaal in onze aard ligt. Er is geen diep menselijk geluk mogelijk zonder een verhouding van liefde tot God en de medemens. Juist in deze liefde verwerkelijkt de mens zijn geluk. Het geluk dat je andere mensen geeft komt als verdubbeld geluk in je eigen hart terug. En de hoogste glorie die je God kunt brengen ís meewerken aan het geluk van de mensen. Zo vermeerdert de liefde de glorie van God, het welzijn van de medemens en mijn eigen geluk.