Christus is koning

Als iemand zegt ‘Christus Koning' dan moet hij dit heel voorzichtig uitspreken, want van Christus' koninklijke macht zien wij heel weinig in deze wereld.

Hoeveel mensen hebben niet ontgoocheld Christus de rug toegekeerd en hebben tenslotte hun eigen ideaal tot hun koning gemaakt! Hoeveel mensen die altijd christen zijn geweest, geven nu in het ziekenhuis of waar men hen ook naar hun geloof vraagt op: zonder godsdienst. Als het koningschap van Jezus zo duidelijk was, zouden zij dat zeker niet doen.

Jezus maakt in dit evangelie een heel duidelijk onderscheid: ‘Koning ben Ik', zegt Jezus, ‘maar mijn koninkrijk is niet van deze wereld'. Deze woorden begreep Pilatus niet en ook de soldaten niet, die met Hem de spot dreven en zelfs ook de apostelen niet. Na de verrijzenis vroegen ze Hem nog uitdrukkelijk: ‘Heer, gaat Gij in deze tijd het koninkrijk herstellen?' En ook wij hebben vaak nog geen begrip van zijn Rijk.

Wij kunnen de zin van het feest van Christus Koning alleen benaderen, als wij het verstaan als een feest, dat weliswaar nu reeds in geloof gevierd wordt, maar dat eigenlijk pas gevierd kan worden, als Christus zal terugkomen in macht en majesteit.

Daarom heeft dit feest zijn plaats in het kerkelijk jaar heel zinvol gekregen op de laatste zondag, als wij reeds uitzicht hebben op het einde der tijden en op de voleinding van de wereld.

Zeker, wij christenen zijn ervan overtuigd dat Jezus zetelt aan de rechterhand van de Vader in macht en heerlijkheid, maar de volle openbaring van zijn glorie zal pas geschieden op het einde der tijden als Hij zal komen oordelen over levenden en doden.

Maar ook al is het koningschap van Jezus nog verborgen, toch moeten de grote trekken van zijn Rijk nu reeds zichtbaar zijn in deze wereld. Jezus heeft duidelijk gezegd: ‘Mijn koningschap is niet van deze wereld', en: ‘Gij weet dat zij die als heersers der volken gelden, hen met ijzeren vuist regeren en dat de groten misbruik maken van hun macht over hen; dit mag bij u niet het geval zijn. Wie onder u groot wil worden, moet dienaar van allen zijn'. Jezus heeft zijn Rijk verkondigd als een rijk van gerechtigheid en vrede, van liefde en vrijheid, Hij heeft ons voorgeleefd hoe dit rijk eruit zal zien, als men zich aan God durft toevertrouwen. Juist omdat Jezus zich door zijn Vader aangenomen wist als zijn geliefde Zoon, kon Hij zich ook radicaal engageren voor de mensen.

Waar Jezus de komst van zijn Rijk preekte, daar werden zondaars begenadigd, vonden buitenstaanders een thuis, zij die aan de rand van de maatschappij vegeteerden, werden in het midden geplaatst, en zij die moedeloos en zonder uitzicht waren, mochten ervaren dat God voor hen bijzonder zorg droeg.

In zijn koninkrijk worden de scheidingsmuren tussen arm en rijk, tussen man en vrouw, tussen zieken en gezonden afgebroken. Voor God zijn alle mensen gelijk. Christus erkennen als Koning wil dan ook zeggen, dat wij de deuren openen voor de komst van zijn Rijk. Door onze levenshouding moeten de grote lijnen van zijn koningschap in deze wereld zichtbaar worden.

Wij kennen nauwelijks nog de zeven werken van barmhartigheid: hongerigen voeden, naakten kleden, gevangenen verlossen, zieken bezoeken, doden begraven, en toch zijn deze werken de grondpijlers van het Rijk van Christus in deze wereld. De Kerk van Christus herkent men niet in imponerende machtsstructuren of hoge kerktorens. Het Rijk Gods ontstaat daar waar, zoals men zingt, waar mensen goed zijn voor elkaar, waar mensen geloven in Gods liefde, waar mensen leven naar Gods geboden. Bij Jezus mag iedereen zich als een koning voelen, want Jezus neemt alle mensen zoals ze zijn. Hij schenkt hun de vrijheid van de kinderen Gods. Zo zouden de mensen zich in onze nabijheid ook als koningen moeten kunnen voelen waar zij er zeker van zijn aanvaard te worden zoals ze zijn, waar men samen bouwt aan een wereld van rechtvaardigheid, waar niets de mensen onderscheidt.