Demonen of virussen (2000)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 198 niet laden

SUÏCIDE SITE

Jezus drijft demonen uit. Zo beschrijft vooral Marcus een genezing. Een zieke is voor hem bezeten door een demon. Betekent dat iets? Of is het een wijze van spreken uit de oudheid? Mag je het vertalen met: “Zij waren bezeten door hardnekkige bacteriën”?
In de beleving lijkt ziekte vaak op het bezeten zijn door een vreemde macht. Veel mensen ervaren dat bitter als een dierbare een eind aan zijn leven maakt, na een jarenlang gevecht tegen een somberheid die als een kwade macht op hem gevallen is. Hij wil zich daarvan bevrijden. Eindeloos veel liefde, geduld en zorg worden voor hem opgebracht, maar vaak is het kwaad te sterk. De zieke herkent zichzelf niet meer.
Ik heb me diep verlaten gevoeld deze week door de reactie van sommige Nederlandse politici op het bericht van die website voor suïcide-plegers. Het laconieke commentaar van sommige kamerleden die het normaal vinden dat je iemand een pistool aanreikt die om zorg en aandacht vraagt, heeft me meer geschokt dan het bericht over de site zelf. Ziekte is soms een demon die de persoonlijkheid bezet en aantast.

PROTEST NA DE KOFFIEPAUZE

Toen ik pas priester gewijd was, eind zestiger jaren woei er in de kerk een frisse wind. Geloofsopvattingen stonden ter discussie. Erg ín was het onderwerp: “Wil God het lijden van mensen?” De vraag was blijven hangen na de oorlog. De onzegbaar beschamende poging om het Joodse volk uit te roeien had een diepe doorwerking op het geloof. Bestaat God wel? Is Hij niet almachtig? Of is Hij niet goed?
Ik herinner mij een lezing hierover. Het zaaltje zat vol. De spreker betoogde dat God het lijden niet wil. Dat was enkele eeuwen voor Christus al opgeschreven in het boek Job. De doodzieke Job discussieert met zijn vrienden over de zin van het lijden. Ze vinden tenslotte dat het lijden níet een straf van God is. En wat het wèl is, dat kan een mens niet weten. De spreker besloot: “God laat jou deze ziekte niet overkomen en Hij heeft je dierbare niet tot zich geroepen.”
Na een pauze met koffie mochten er vragen worden gesteld. Je zou verwachten dat de toehoorders zich bevrijd zouden voelen. Gelukkig, God is niet een wrede vader. Hij wil onze pijn niet. Hij lijdt met ons mee. Je zou het verwachten, maar ik constateerde het tegendeel. De toehoorders protesteerden. Er was hun iets afgenomen. Als God niet de beschermende Vader is maar de meelijdende, dan voelt het kind zich helemaal verloren. Dan heeft het géén ouder. Dan zijn ziekte en dood nog zinlozer dan gedacht.

KWAAD ALS PERSOONLIJKE VIJAND

Mensen die door een ramp worden getroffen drukken het vaak zo uit, alsof ze slachtoffer zijn geworden van een belager. “Ze moeten mij altijd hebben”, “Alsof het zo heeft moeten zijn” en “Waaraan heb ik dat ver-diend?” We geven het kwaad een menselijk gezicht. Het kwaad wordt een macht waartegen we ons kunnen weren. Plotseling zijn we niet eenzaam in een kil en dom heelal, maar mensen die bemind zijn, om wie gevochten wordt, die belaagd worden en beschermd.
Er is nog een andere reden waarom Marcus de ziekte graag als een demon voorstelt. Hij laat de demonen roepen dat Jezus de Messias is. Maar dat verbiedt Jezus hun streng. Vreemd! Waarom wil Jezus niet Messias worden genoemd? Het lijkt geheimzinnig. Ik heb er tal van verklaringen voor gelezen.

DRIE REDENEN VOOR JEZUS' VERBOD

De eerste is deze. Iemand een naam geven betekent: iemand de baas zijn. Jezus noemt Petrus Kefas en creëert zo een leraar-leerling relatie. Als de demon Jezus’ naam noemt heeft hij macht over Jezus. Dit wordt afgestraft. Jezus zegeviert over het kwaad. Probleem van deze verklaring is dat Jezus elders niet de demónen een verbod oplegt, maar zijn eigen aanhang!
Een andere verklaring zegt dat Jezus zich in het begin van zijn loopbaan als geneesheer-profeet geleidelijk aan bewust is geworden van zijn roeping en macht. Dat besef zou aanvankelijk verwarring en angst hebben opgeroepen. Marcus herinnert zich Jezus’ verweer. Hij kan die gebruiken in zijn boek. Ze kan verklaren waarom het christendom zich onder de joodse tijdgenoten van Jezus nauwelijks heeft verbreid. De aanhang komt uit de Grieks-Romeinse wereld.
Boeiend, maar misschien is er nog iets anders aan de hand. Jezus verstond het als zijn roeping om de nabijheid van Gods koninkrijk te verkondigen. Dit is de inhoud van zijn geloof: God en diens werkelijkheid van vrede en gerechtigheid; niet hij zelf, maar Gods Rijk. Als er mensen zijn die met Jezus gaan dwepen, die Hem tot voorwerp van geloof maken, dan protesteert hij. Het gaat om Gods Rijk.
Voor wie het treft is het kwaad geen ongelukkig toeval maar een persoonlijke vijand. We zijn geroepen om die te helpen bestrijden, ook als dat kwaad een depressie is. Dan brengen we Gods koninkrijk dichterbij, want daar alleen gaat het Jezus om.

BEZETEN BOUKJE

Lieve kinderen. Ik was bij mijn nichtje, Boukje. Ze was vier jaar. Ze zag dat mamma een klein beetje peper op haar tomaat strooide. “Wil ik ook”, riep ze. Maar mamma zei: “Dat lust jij niet.” “Wil ik ook!” Ze begon steeds harder te roepen. Tenslotte gaf mamma haar de peperbus. “Dan moet je het zelf maar weten.” Snikkend pakte Boukje de peperbus en begon een heelboel op de boterham te strooien. “Hou op, dat lust je niet!”, riep mamma, maar nu deed Bouk er nog een extra schep bovenop. Daarna begon ze te eten. De peper begon te branden in haar keel. Met huilen en snikkend at ze haar boterham op en toen rende ze naar boven en verstopte zich onder de dekens van haar bed. Ze begreep zichzelf niet meer. Ze wilde niet zo koppig zijn, maar het leek wel alsof ze mòest. Ik liep op mijn tenen naar boven en ging op haar bed zitten, naast de voeten onder de deken. Ik deed net alsof ik dacht dat de voeten haar hoofd waren. Ik begon ze te aaien en zei: “Lieve Bouk, heb je het zo moeilijk?” Ineens schoot ze in een lach: “Dat zijn mijn voeten!” Met een aai en een grapje was Bouk weer zichzelf geworden. Soms zijn mensen zichzelf niet. Dan moet je maar heel lief voor ze zijn.