Ziekte en evangelie (2009)

Inleiding

"Maanden van leegte heb ik ervaren. Nachtenlang werd ik door ellende overmand" klaagt Job in de eerste lezing van vandaag. Het evangelie vertelt dat de schoonmoeder van Petrus ziek te bed ligt en dat men laat op de avond fysisch en psychisch zieken naar Jezus brengt. Jezus geneest velen van hen - niet iedereen -.
's Nachts trekt Hij weg om te bidden - is dat om de dag voordien te verwerken? - en Hij beslist dan om naar de dorpen in de buurt te trekken om daar het goede nieuws van het evangelie te brengen, want daarvoor is Hij op weg gegaan - niet om zieken te genezen.

In het begin van vorig jaar interviewde ik voor een tijdschrift zuster Immaculata van de zusters van Ingelmunster. Ze is eenentachtig jaar, woont in hun klooster in Dadizele en is terminaal ziek. Ik was onder de indruk van het gesprek met haar en het zat al lang in mijn hoofd - het intuïtieve gedeelte van mijn hoofd - om daar iets mee te doen in een viering. De lezingen van vandaag zijn een aanknopingspunt en daarom wil ik in de viering van vandaag bij enkele van haar gedachten stilstaan met als thema: "Ziekte en evangelie"

Homilie

Ik telefoneer met een grote aarzeling voor een afspraak met zuster Immaculata. Ik wist dat ze zwaar ziek was. Mijn laatste contactpersoon aan wie ik haar telefoonnummer vroeg, zegde zelfs dat ze ‘zeer zwaar ziek' was. Vandaar mijn aarzeling.
Er komt een krachtige West-Vlaamse vrouwenstem aan de telefoon. Ik leg haar uit dat ik graag een interview met zuster Immaculata wil, maar dat ik niet echt weet of dat voor haar nog wel gaat en of ze daarvoor al niet te zwaar ziek is en of men het haar eventueel zou kunnen vragen. "Ge spreekt met zuster Immaculta. Natuurlijk gaat dat gaan. Wanneer past het joender, volgende maandag in de namiddag. Voorzekers, t'è heen probleme."

Maandagnamiddag begint ons gesprek onmiddellijk over de diagnose van kanker, die ze enkele maanden geleden heeft gekregen en het ‘maximum nog één jaar te leven'.

Hoe ze tegenover de nakende dood staat, vraag ik haar.
Toen de dokter haar zegde dat ze niet lang meer te leven had, herinnerde ze zich twee zinnen, die haar altijd waren bijgebleven. De eerste: "Wie niet bemint, is al gestorven". De andere had ze uit een lezing van een filosoof over leven en dood. Die man zegde dat hij zou willen dat men hem op het moment van zijn sterven "beminnende" vond.

Ze probeert nu zo te leven, in het huidige moment, niet in het verleden of in de toekomst, met haar volledige aandacht naar wat ze in het huidige ogenblik te doen heeft. Immaculata zegt: "Ik probeer liefdevol te zijn in het nu. Dat is veel belangrijker dan bezorgd te zijn met die dood. De gedachte aan de dood is daarom niet weg maar het is alsof ze weg is. Het is raar om zeggen maar het is zo."
De dokter die haar bestralingen gaf, zegde dat hij nog maar weinig mensen had gehoord die op die manier over leven en dood spraken.

Hoe ze aan die andere kijk op het leven en de dood komt, vraag ik haar.
Ze denkt na. Het is even stil. Dan zegt ze dat haar leven totaal gebaseerd is op de ontdekking dat God liefde is. Het is een diep bewustzijn dat er Iemand van haar houdt zoals niemand anders, met een liefde die onvoorwaardelijk, belangeloos en heel persoonlijk is. Dat is geen geloof meer maar dat is ondertussen een weten geworden. Ze heeft dat zo dikwijls ervaren. Door zo Iemand bemind te worden en zo Iemand zelf beminnen is een stukje hemel op aarde.

Hoe ze dat dan ervaart, vraag ik haar.
Dat zit in heel veel kleine dingen - antwoordt ze - dingen, die misschien banaal klinken: iemand die plots naar haar toekomt, waarvan ze het helemaal niet verwacht had, in een telefoontje, in een geschenk dat iemand brengt... God doet nog altijd wonderen maar vaak zien de mensen ze niet meer. Maar vooral ervaart ze die uitzonderlijke liefde van de Heer voor haar in wat haar leven is geweest.

Hoe is dat dan geweest, vraag ik haar.
Vanaf haar 14 jaar was Jezus een heel grote vriend waarvoor ze alles over had. Ze was een edelmoedig jong meisje met veel vriendinnen en veel genegenheid van heel veel mensen. En dat wilde ze loslaten om aan de Heer toe te behoren. Op haar 21ste is ze naar het klooster van de zusters van Ingelmunster gegaan. Ze had een film van pater Damiaan gezien, en die had haar enorm aangesproken. Ze zegde tegen die zusters dat ze graag naar de melaatsen wilde gaan en vroeg hen of ze missies hadden. En die zusters hadden toen een missie met melaatsen in Congo. Dus is ze daar maar ingetreden. 25 was ze toen ze naar Afrika trok, ervan overtuigd dat ze nooit meer naar België zou terugkomen. Ze had alles achter gelaten voor de Heer. Haar papa, met wie ze een heel nauwe band had, stierf het jaar daarop en ze heeft hem nooit meer terug gezien. Ook haar mama is plots gestorven, zonder dat ze afscheid had kunnen nemen.

Na twee jaar in de missies werd doodziek van voortdurende malaria. Ze had miljoenen rode bloedcellen tekort. Als ze er nog een beetje was gebleven was het met haar gedaan geweest. Op haar 27ste stond ze terug in België. Heel haar droom over haar leven lag in het water. Een priester die haar toen begeleidde zegde haar toen: "Zuster Immaculata, laat God maar doen". Tot dan toe had ze gedaan wat zij wilde doen en dat is een verschil. Het waren haar dromen. Ze had ergens gelezen: "Ge kunt op een instrument spelen en proberen te spelen wat God van u vraagt, maar het is nog iets anders om het instrument in Zijn handen te geven en toelaten dat Hij speelt." Dat had ze toen een beetje verstaan: niet haar verlangens, maar het Zijne.

Ze heeft toen een jaar volledig moeten rusten, is in het onderwijs gegaan en werd daarna de algemene assistente in de orde, de rechterhand van de algemene overste.

Dat was een beginpunt voor een totaal ander leven. In het noviciaat werden er in de opleiding altijd twee dingen herhaald: de relatie tot God en de liefde tot de anderen. Dat waren de aandachtspunten. Maar door contacten met verschillende inspiraties is die liefde in een totaal ander licht komen te staan. Ze begreep dat ze iedereen graag moest zien, belangeloos, niets verwachtend, ook het deel doen van de ander als die dat niet had gedaan, steeds de eerste stap zetten en als eerste liefhebben en de ander zodanig graag zien dat er een diepe verbondenheid ontstaat. Zo werd ze fijngevoeliger om het goede te zien in elke persoon. Op die manier bemint God, dacht ze . Immaculata lacht: "Ik slaag daar niet daar altijd in, hé. Maar ik probere dat."

Ze gaat verder: "Als er nu iemand hier op bezoek komt- de facteur bijvoorbeeld - dan probeer ik die mens met heel veel liefde te ontvangen. Mijn verlangen is altijd dat iemand een beetje gelukkiger buiten mag gaan dan hij is binnen gekomen. Als er hier iemand aanbelt, benader ik hem alsof het de Heer zelf zou zijn."

"Ook mijn manier van in de kloostergemeenschap te leven veranderde", zegt ze. " We aten in die tijd bijvoorbeeld met een 60-tal zusters in een grote refter, allemaal tafeltjes van zes. Vroeger koos ik dikwijls mijn plaats uit omdat ik graag eens bij een zuster wilde gaan zitten, die ik goed kende of waarmee ik vlot kon babbelen. Dat heb ik daarna nooit meer gedaan. Ik ging bij voorkeur zitten bij die zuster die niet zoveel aantrek had. Ik had eens gehoord dat we zouden verschieten van de plaats die Jezus zou innemen wanneer hij in de refter van gelijk welke congregatie zou komen. Hij zou zich naast de meest zwakke zetten. Ik heb dat ook een beetje proberen te doen."

Het is vier uur als ik opstap en terug naar Leuven rijd, boordevol wijze woorden, die in het West-Vlaams zo gewoontjes klinken. Ik ben ook onder de indruk van de verwelkoming: "En Herman, moe je geen boterhamme mee voor onderwege?" Ik ben inderdaad gelukkiger buiten gegaan dan ik binnengekomen ben.

Gebed na de communie

Heer,
Geef ieder van ons
door de kracht van de eucharistie
en door uw verbondenheid in deze gemeenschap
de genade
om - ondanks al onze fysische of psychische ellende -
fijngevoeliger te worden in de evangelische liefde
die gij hebt gepredikt
en waarvoor gij zijt rondgetrokken in de dorpen.

Geef
Dat we iedereen graag zien
belangeloos, niets verwachtend
de eerste stap zettend
dat we de ander niet aanrekenen waarin hij tekort is geschoten
maar dat we zijn deel op ons nemen

Maak dat er zo
een diepe verbondenheid onder ons ontstaat.