Paastijd (B)

‘Tot hun verbazing hoorde iedereen hen spreken in zijn eigen moedertaal.’

Zusters en broeders, de mensen die op het vreemde gedruis waren afgekomen, begrijpen er niets van. Ze komen uit Perzië, Mesopotamië, Egypte, Libië, Rome en nog zoveel andere landen, en ze horen al die mannen uit Galilea spreken in hun eigen moedertaal. Dat klinkt onbegrijpelijk, maar het is dat veel minder dan we misschien denken. Het gaat immers om Joden die in het buitenland wonen. Ze waren in Jeruzalem om het feest van de uittocht uit Egypte te vieren. En hoewel ze misschien al generaties in een vreemd land woonden, verstonden en spraken ze nog altijd hun joodse moedertaal. Dat ze die Galileeërs begrepen, is dus niet de reden van hun verbazing, wel dat die mannen zo vol gloed spraken over Gods grote daden. Dat greep hen echt aan.

En nu kunnen wij ons afvragen: worden ook wij zo diep aangegrepen door Gods grote daden? Horen ook wij over Hem spreken in onze eigen moedertaal? Of is het allemaal vreemd voor ons, trekken we het ons misschien niet echt aan wat Jezus ons voorhoudt, en wat we in elke viering opnieuw horen: dat Gods grote daden liefde en vrede zijn, en dienstbaarheid, hulpvaardigheid, vergeving en genade. Dat zijn Gods grote daden waarover de apostelen de menige aanspreken, en dat is nieuw en aangrijpend voor hen. Altijd hebben ze gehoord over Gods heerszucht, zijn eisen, zijn dwang, zijn bestraffing van tekorten, zonden en allerlei kwaad. En nu horen ze spreken over Gods liefde en genade. Nu horen ze dat God geen dwangmatige heerser is, maar een goede herder en een liefhebbende, een nabije Vader. Zijn ook wij daar zo gevoelig voor dat we in zijn richting willen leven?

Want dat willen die mensen uit die vreemde landen wél: leven op de weg die door Jezus werd gegaan. Zo gloeiend vertelden de apostelen over die weg dat er zich die dag ongeveer drieduizend mensen lieten dopen. Op die Pinksterdag begon dus de verspreiding van het christendom, niet alleen in Jeruzalem en Israël, maar over in die andere landen waarin die mensen woonden. Wanneer Paulus en de andere apostelen op missie trekken, kunnen ze dus groepen ontmoeten die al trouw zijn aan de woorden van de Heer, die al een gemeenschap vormen en zich wijden aan gebed en aan het breken van het brood, want zo levend is het geloof van de eerste christenen.

Dat is wat we met Pinksteren vieren: dat Jezus’ Blijde Boodschap zich onder alle volkeren kan verspreiden. En dat kan dankzij zijn Geest die Hij ons zendt. In het evangelie dat we ook op Pasen hoorden, horen we nog eens zijn belofte over die Geest. Hij wenst zijn apostelen vrede toe, blaast zijn Geest over hen uit, en zegt: ‘Ontvang de heilige Geest,’ en Hij voegt er ook uitdrukkelijk aan toe wat zijn Geest inhoudt: ‘Als gij iemands zonden vergeeft, dan zijn ze vergeven, maar als ge ze niet vergeeft, zijn ze niet vergeven.’

Dat is dus Jezus’ Geest: dat we kunnen vergeven. Jezus kent de wereld, Hij kent de mens, en Hij weet dat mensen fouten kunnen maken, ook zeer zware fouten. Hijzelf is het slachtoffer geworden van zulke fouten, want Hij werd op een totaal onrechtvaardige manier vreselijk gemarteld en gekruisigd, en toch veroordeelde Hij niet, integendeel, Hij bad: ‘Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen.’

Zusters en broeders, dat is de Geest die Jezus ons zendt: de Geest van vergeving, van liefde en vrede. Laten we God de Heer danken dat zijn grote daden over ons zijn komen, en ook bidden dat zijn Geest van vrede, liefde en vergeving in onze wereld en in elk van ons zou komen wonen. Amen.