1e zondag van de advent C

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden

Lucas is de evangelist, die de verkondiging van Jezus heel duidelijk plaatst in de maatschappelijke en politieke constellatie van zijn tijd. De tegenstelling in het Romeinse wereldrijk tussen armen en rijken was onvoorstelbaar groot. In wezen was die niet zoveel anders dan in onze wereld vandaag. Van de vier evangelieschrijvers voert Lucas dan ook het meest drastische pleidooi voor de rechten van de armen. Midden in de wereld van toen én van nu wil Lucas goed nieuws, evangelie brengen aan de armen. Eindelijk kunnen ze mens worden, eindelijk leven, eindelijk opnieuw geboren worden. Lucas is immers bij uitstek de hofschrijver van de eerste christengemeente, een gemeente die wordt opgeroepen tot gemeenschapszin (het hele boek Handelingen van de apostelen gaat daarover) en tot onvoorwaardelijke dienst aan de armen. In de gemeente van Jezus Messias moet het doorbrekende koninkrijk van God zichtbaar worden. De gemeente is immers het Messiaanse model voor de wereld. Dat is het evangelie van Lucas in een notendop. Zo helder en eenvoudig. Zo moeilijk om te doen.

'Gelukkig de armen, voor jullie is het koninkrijk van God' (6,20). Deze woorden klinken uit de mond van Jezus aan het begin van de zogenaamde veldrede. Maar ook de keerzijde van de medaille wordt ons door Lucas getoond: 'Maar wee jullie, rijken, je hebt je troost al binnen.' (6,24).

Meer dan andere evangelisten benadrukt Lucas dat Jezus' gang naar Jeruzalem een weg is van solidariteit met de armen en de geringen. Men zou Lucas de meest politieke van alle evangelisten kunnen noemen. En de tonen hiervoor worden in de advent en de kersttijd van zijn evangelie gezet: in het Magnificat, in de lofzangen van Zacharia en Simeon.

Bovendien heeft Lucas als het enige het verhaal van de barmhartige Samaritaan, en ook de parabel van de arme Lazarus en de rijke dwaas. Verder moet je eens gaan lezen in de hoofdstukken 14 tot 17, en eens inventariseren wat voor een bont gezelschap hij daar de revue laat passeren: een hele stoet van sukkels en mislukkelingen in de ogen van de wereld, van de straat opgeraapte gasten, een zwerfjongere die van huis is weggelopen, een oude vader op de uitkijk, een man die beroofd wordt door een stel onverlaten, een migrant die de mouwen opstroopt om hem te helpen, een arme weduwe die van haar klein pensioentje een penning in de tempelkist gooit, een collaborerende tollenaar enz.
Het evangelie van Lucas vertelt over thuislozen, mensen langs de rand van de weg, zondaars, tollenaars, verliezers (zo is Lucas 15 het verhaal van de verliezers in drievoud!).
Het is vooral Lucas' zorg te tonen wat bevrijding van mensen inhoudt, wat barmhartigheid en gerechtigheid doen is. Lucas toont daarbij altijd concrete mensen met een gezicht. Ze dragen een naam bij hem, ze zijn iemand: Zacheüs, het dochtertje van Jaïrus - of ze worden precies gelokaliseerd: in Naïn, in Bethanië, op de weg van Jeruzalem naar Jericho.

Het is overigens niet waarschijnlijk dat Lucas deze boodschap van 'Jezus als hoop der armen' zomaar zelf heeft uitgevonden. Veeleer heeft hij als eindredacteur een heel stuk traditiemateriaal grondig bewerkt. Dat heeft alles te maken met de situatie van de gemeente waarvoor Lucas schrijft. Klassentegenstellingen dreigen de Messiaanse gemeente te ontwrichten. De welgestelden achten het kennelijk voldoende een klein percentage van hun vermogen af te staan aan de arme gemeenteleden. Daartegen komt Lucas in verweer en hij laat het niet bij vaagheden. Een enkele 'aalmoes' heft de kloof tussen arm en rijk niet op (dat gold toen net zoals vandaag). Lucas stelt de bezittende klasse de oorspronkelijke bedoeling van de Thora voor ogen: je solidair betonen met de achtergestelden (de wees, de weduwe en de vreemdeling), en afstand doen van je bezit. Tot deze 'ommekeer' wil hij de rijken bewegen.

Lucas staat een christengemeente voor ogen waarin de tegenstelling tussen arm en rijk, tussen verliezers en winnaars is opgeheven. Hét model van wat een christelijke gemeente kan zijn tekent hij dan ook in de Handelingen:'zij bezaten alles gemeenschappelijk' In het lied van Maria, het Magnificat, wordt dat alles door Lucas de toon gezet. Dit revolutionaire lied van een vrouw uit Nazaret, grotendeels samengesteld uit de poëzie van profeten en psalmen, bezingt wat 'geschieden zal' als de Messias is gekomen: de toekomst die armen en ontrechten vurig verwachten en die van Godswege zal aanbreken.
Maria is door Lucas de verpersoonlijking, het 'prototype' van de toekomst die redding brengt aan allen die geknecht worden door man-en-macht. In hen wordt God mens. In een vrouwenschoot, als een graf zo dicht, wordt wonder boven wonder nieuw leven gewekt.

Lucas is ook de verteller die veel aandacht voor vrouwen heeft. Voor Maria en haar nicht Elisabeth, voor de weduwe uit Naïn met haar gestorven zoon, voor de vrouw met haar albasten flesje parfum, voor de vrouwen die met Jezus meetrokken. Lucas vermeldt dat de vrouwen van Jeruzalem van Jezus te horen krijgen: 'Ween niet over mij, maar over uzelf en over uw kinderen' (23,27-31). En Lucas weer is het die vertelt van de vrouwen bij Jezus' terechtstelling. In 23,49 staat dat zij alles aanzagen en in 23,55-56, dat ze Hem toen Hij gestorven was en begraven werd eerden met mirre en specerij. En het zijn voor Lucas (haast vanzelfsprekend!) de vrouwen die het lege graf vinden op Paasmorgen, met de steen die is weggerold en de twee mannen in witte kleren die hen het goed nieuws vertellen.

De evangelist Lucas heeft een zeer bijzondere aandacht voor vrouwen, voor de vrouwelijke zijde van het menselijk bestaan. In de iconografische traditie van de kerk wordt Lucas dikwijls als een schilder voorgesteld. Hij wordt daarbij vaak afgebeeld terwijl hij de heilige maagd portretteert. En dat is terecht. Hij heeft als geen ander - zij het niet met het penseel maar met de pen - Maria prachtig geschilderd als joodse vrouw die uitzag naar bevrijding en verlossing. Maria komt in het Lucasevangelie naar voor als de vrouw bij uitstek die met heel haar vrouw-zijn deelneemt aan het Messiaanse gebeuren, aan de zorg van God voor kleine mensen. Op dat punt heeft zij de verlossing met haar eigen bestaan, met haar eigen lichaam gestalte gegeven. Het Lucasevangelie componeert het hele advents- en kerstgebeuren rond de figuur van Maria. Dit zijn ook revolutionaire teksten wat de positie van de vrouw betreft. Maar men moet die geboorteverhalen van Lucas dan wel in hun genre begrijpen. De christelijke vroomheid heeft er achteraf soms een biologische en gynaecologische rariteit van gemaakt, welke men er aanvankelijk nooit in gelezen heeft. In de geschiedenis is het niet veel vrouwen gegeven om, zoals Maria bij Lucas, vrouw te zijn in het volle licht. Vrouwen leefden en werkten in de schaduw van een man, een gezin, een kerk of maatschappij. Zij leefden eigenlijk niet ten volle. Er is een beeld van Maria dat mij altijd erg heeft aangesproken. Het komt uit een gregoriaans lied van de begrafenisliturgie, en het wordt ook dikwijls rond Pasen gezongen: Victimae Paschali laudes. Eén zin daaruit fascineert mij zo: 'Dic nobis Maria quid vidisti in via? - zeg ons, Maria, wat heb je onderweg gezien?' 'Surrexit Christus spes mea' - verrezen is Christus, mijn hoop.'

Lucas zet Maria bij begin- en eindpunt van het verhaal van Jezus, de levende. Een vrouw die de wacht optrekt bij geboorte en dood. Zij heeft een hele weg afgelegd met Hem (en Hij met haar). Wij zouden zeggen: 'Ze heeft er nogal mee afgezien'. Maar in afzien steekt ook het woord 'zien'. Lucas zegt: 'Maria bewaarde dit alles in haar hart en dacht erover na' (2,19). Ze bewaarde dit niet in haar hoofd, wel in haar hart. Ze kende Jezus 'par cœur'. Zij is voor Lucas echt een 'hartendame': de vraag wat Maria kan betekenen voor de vrouw is een zinnige vraag, zegt Lucas. Maar het is maar een halve vraag. Het gaat erover te beseffen dat Maria iets uitdrukt van het vrouwelijke in elke gelovige. Maria laat ons bij Lucas een dimensie zien die we anders misschien niet, of slechts na veel zoeken, zouden ontdekken.

Lucas is ook de evangelist van de ontmoeting. Heel zijn evangelie is een opeenvolging van verhalen en gebeurtenissen waarbij mensen elkaar ontmoeten - en telkens weer gaat het daarbij om leven en dood, om geloof en roeping van een christen: de Emmaüsgangers, de barmhartige Samaritaan, de herders bij de kribbe, de opdracht in de tempel en de ontmoeting met Simeon en Hanna enz. en in de Handelingen van de apostelen: Filippus en de Ethiopiër, de lamme bij de tempelpoort, Saulus/Paulus en Ananias in Damascus.
Maar de grootste van alle ontmoetingen bij Lucas is die van Maria en Elisabeth. Zij groeten elkaar vanuit hun vrouw-zijn, en vanuit het kind dat zij dragen. Verwachting komt verlangen tegemoet. Elisabeth begroet Maria vanuit het kind dat zij van Godswege in zich draagt. En Maria ontvangt de groet vanuit het kind dat zij van Godswege heeft ontvangen.
Wat is advent? Wat is menswording en geboorte? Wat is gelovige en leven gevende ontmoeting? Het is, zegt Lucas: zo leeg zijn van zichzelf, dat we elkaar enkel maar begroeten vanuit het geschenk dat elk van Godswege heeft ontvangen. Dan gebeurt er iets, dan wordt er iets geboren. Dan komt de Messias, dan is de grote menswording een feit.