Verheug u en wees blij, Jeruzalem (Sef. 3,14)

 

Vreugde kent variaties en gradaties.

Ze begint van zodra dat wat vreugde brengt in het vooruitzicht wordt gesteld.

Ze groeit naarmate die dag naderbij komt.

Ze is volkomen wanneer de bron van vreugde in ons midden is.

Vreugde om wat eens zal komen.

Vreugde wanneer het aankomt,

Vreugde wanneer het verlangde er echt is.

 

Vreugde van verliefden, blijdschap bij hun verloving, jubel bij hun huwelijk, dank wanneer de wederzijdse trouw tot het einde is volgehouden.

 Vreugde van de advent, omdat heil en genade ons is toegezegd.

Vreugde van kerstmis wanneer de Heer in ons midden is.

Vreugde wanneer zijn aanwezigheid in ons groeit.

 De derde adventszondag is door deze drievoudige vreugde gekenmerkt. De drie lezingen schetsen elk een etappe van deze vreugde.

 De profeet Sefanja kondigt aan dat de donkere dagen, die Jeruzalem heeft gekend, weldra voorbij zijn. Verheug u om het heil dat komen zal.

 Johannes ijverde voor een samenleving van gerechtigheid en kondigt in de woestijn en bij de Jordaan aan het volk de Blijde Boodschap aan. Hij doet het met strenge veeleisende woorden en opdrachten, maar als blije vriend van de Bruidegom (Joh. 3,29).

Paulus liet Jezus in zijn leven binnen. Wie zich echt op Jezus richt, wordt een nieuw mens. Zo iemand is voor altijd blij. Paulus spreekt over vreugde om wat de Heer al gedaan heeft en omdat hij zal wederkeren. De Geest schenkt goede vruchten: liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en ingetogenheid (Gal. 5,22).

Met zijn oproep tot vreugde heeft Paulus aan deze derde adventszondag een naam gegeven, de zondag van Gaudete. In tijden dat christenen aan magerzucht lijden en in depressies terecht komen, mogen de tonen van vreugde alweer de bovenhand krijgen. We hebben elke dag redenen om vanuit Christus een ode aan de vreugde te brengen.

De liturgie betrekt deze zondag een profeet uit het eerste testament bij deze oproep tot vreugde. De traditie heeft een messiaanse verwachting gelezen in teksten van deze man, die optreedt rond 630 vóór Christus ten tijde van koning Josias. Sefanja is een tijdgenoot van Jeremia. Zijn naam betekent ‘God bewaart.’ ”Het is Gods draagkracht die het volk bewaart in de turbulente momenten van het leven” (Godsspraak, p. 12).

 Sefanja hoort bij de zogenaamde twaalf kleine profeten. Klein, dit is in tegenstelling met profeten van wie veel woorden zijn bewaard. In het leesjaar C komen zeven van hen aan het woord in de oudtestamentische lezing. De vierde adventszondag is Michea er. Zijn naam is een afkorting van Michaël: ”Wie is als God?

 Maleachi is er elk jaar op het feest van de opdracht van de Heer (Lichtmis). Zijn naam geeft het specifieke van zijn profetische roeping aan. Zijn naam betekent ‘mijn boodschapper’. In dit leesjaar C komt hij nog tweemaal in de vieringen met een waarschuwende woord. Wij horen hem op de 31° en 33° zondag.

Wie eveneens elk jaar aan het woord komt, is de profeet Joël. “Scheur je hart en niet je kleren”, zegt hij op Aswoensdag. Op de vooravond van Pinksteren laat Joël ons elk jaar delen in zijn visioen over de Geest die de Heer uitstort over alle mensen (Joel, 3, 1-5). Joël’s naam betekent: “JHWH is God.”

Zacharia meldt zich op de 12° zondag. Zacharia betekent ‘de Heer herinnert’. Het boek naar zijn naam telt 14 hoofdstukken. De hoofdstukken 9-14 zijn van een andere auteur, de deutero-Zacharias. Bij de intocht van Jezus in Jeruzalem herinneren de evangelisten zich dat deze profeet een koning voorspelde, die nederig en rechtvaardig, gezeten op een ezel, de stad zou binnenrijden (Zach. 9, 9-10).

Dat Amos bij de groep van de ‘grote’ kleine profeten hoort is allicht door velen gekend. De campagnes van Welzijnszorg en Broederlijk Delen hebben hem gepromoot omwille van zijn scherp protest tegen het sociaal onrecht. “De Heer buldert vanuit Sion”, zegt Amos. Amos is een afkorting van een Hebreeuws woord ‘amasyah’. Dit betekent ‘God heeft gedragen’. We horen Amos op de 25° en de 26° zondag van dit leesjaar C.

Tenslotte horen we op de 27° zondag een profeet met de wondere naam Habakuk. Deze naam is waarschijnlijk afkomstig uit Assyrië en zou te maken hebben met een soort tuinkruid. Ook moeilijke tijden weet hij te kruiden met hoop:

Al bloeit dan de vijgenboom niet en draagt de wijnstok geen vrucht meer;

Al stelt de olijfoogst teleur en geven de akkers geen voedsel;

Al is er geen schaap meer in de kooi en staat er geen rund bij de voederbak;

Toch zal ik mij in de Heer verheugen en juichen om God, die mij redt.

Ja, God de Heer is mijn kracht” (Hab, 3,17-19).

Tussen oktober 2006 en november 2007 toerde de bijbel door Vlaanderen. Gans de Schrift werd in een jaar gelezen. Het bisdom Antwerpen kreeg o.a. de kleine profeten toegewezen. Een resultaat is ondermeer de uitgave van het boek Godsspraak, geschreven door Bart Paepen, Martin Otten en Rudi Mannaerts.

Profeten hebben een ondankbare taak. Ze zien hoe het volk vaak ver weg is van zijn God. Ze willen het volk terugbrengen. Hun taak is eerder moeilijk. Wat ze uiteindelijk doen is wijzen op Gods trouw.

Keren we terug naar Sefanja. De hoopvolle, zalvende woorden van Jesaja op de derde adventszondag staan in contrast met de vele dreigende woorden van die profeet. Hij zag in zijn tijd veel verkeerde dingen. Hij laat daarover dreigende woorden horen. Hij heeft het over de dag van Gods wraak en Gods jaloezie, zodat hij aan de verre oorsprong staat van het donderend schriklied Dies Irae, Hij voorspelt dat God alles zal vernietigen omwille van de hoogmoed van de mens. De mens moet volgens deze bewogen ziener zijn hoogmoed, zijn god-gelijk-willen-zijn, zijn leven zonder funderende oergrond afleggen en ombuigen in ootmoed. “Dan laat ik, zegt de Heer, binnen uw muren alleen nog een nederig, bescheiden volk over, dat zijn toevlucht zoekt bij de Heer” (Sef. 3,12). De profeet ziet een kleine rest. Daaruit komt Jezus. Deze wordt weliswaar niet geboren binnen de muren van Jeruzalem. Hij wordt de hoeksteen van een nieuw gebouw.

Zijdelings van de Antwerpse Sint-Pauluskerk, een vroegere kerk van de orde van de predikheren, lieten de broers Van Ketwigh, dominicanen van deze kerk, een beeldentuin oprichten over het lijden, sterven en verrijzen van Jezus. In die Calvarie- en verrijzenistuin lieten de predikheren zowel de vier grote als de twaalf kleine profeten aantreden. Sefanja staat er afgebeeld met vier lantaarns. Een ervan draagt hij aan zijn linkerpink. In elke raampje van de lantaarns staat een brandend kaarsje gegrift. De lantaarn verwijst naar een vers bij Sefanja: “Dan doorzoek ik Jeruzalem met lampen, straf ik hen die zich aan wijn te buiten gaan en denken: De HEER doet geen goed en geen kwaad” (Sef. 1, 12).

Sefanja houdt met beide handen voor zijn middel een schriftrol met de tekst “VERBEYT MY IN DEN DACH MYNDER VERRYSENISSE” (Sef. 3,8). De NBV vertaalt dit vers anders: “Wacht maar op de dag dat ik mijn buiten kom halen.” Sefanja maant ons tot waakzaamheid en vreugde. Met hem houden we in deze Advent onze lamp brandend en kiezen we voor vreugde.