3e zondag van de advent (2006)

Inleiding

'Verheug u in de Heer te allen tijde. Verheugt u, de Heer is nabij.' Kerstmis nadert, en die nabijheid in de tijd is alleen maar een uitdrukking van een andere nabijheid. Mensen kunnen op verschillende plaatsen zijn, ver van elkaar verwijderd, en toch in de geest, in de liefde bij elkaar zijn. Zo is het ook met de tijd, want de wijze waarop Hij aanwezig is, doet ons blij zijn in de Heer. 'Gaudete in Domino semper', hebben wij zojuist gezongen. Het is een nabijheid die ons in staat stelt blij te zijn in Hem, in zijn aanwezigheid. Kerstmis, dat we ieder jaar vieren, is een nabijheid in de tijd en natuurlijk ook plaatselijk; het is een tijdelijke en plaatselijke nabijheid. Het is niet meer - maar ook niet minder - dan een teken van zijn altijddurende nabijheid, zonder plaats en zonder tijd. Tijdloos, ruimteloos. Dat geldt ook voor iedere eucharistie. We moeten niet alleen eucharistie víeren, maar ook eucharistie zíjn. Dat betekent eucharistie ook voor Hem. Hij viert met ons eucharistie, maar Hij is altijd bij ons op de wijze van slachtoffer. Die aanwezigheid is ooit eens in ons leven begonnen en houdt sindsdien niet meer op. Dat is wat wij aan het begin van deze eucharistie willen vieren: de genade van ons doopsel, van zijn werkelijke aanwezigheid bij ons.

Homilie

"De Heer is nabij", hebben we sint Paulus horen zeggen in de tweede lezing, en Hij is zó nabij, dat zijn aanwezigheid, zijn nabijheid, tot vreugde stemt en alle zorgen en alle verdriet als het ware opneemt in zorgeloze en vreugdevolle onbekommerdheid. De Heer is er, laat sint Paulus weten aan zijn parochianen in Filippi. Maar de Heer was toch al gekomen? Wat zijn we er nu eigenlijk op vooruit gegaan sinds de tijd dat Hij hier op aarde is gekomen? We zijn eigenlijk nog even ver als vóór zijn komst. Ja, Hij is zelfs nu, ná zijn komst, nog verder weg dan vóór zijn komst, want voor zijn komst werd er van Hem gezegd, en dat hebt u zo-even in de eerste lezing uit de profeet Sefanja kunnen horen: "De Heer, de Koning van Israël, blijft bij u." En even verderop zegt hij nog: "De Heer, uw God, is bij u." Is Hij er nu wel of niet? Moet Hij nog komen of is Hij er al? Dat was ook de vraag die de mensen stelden aan Johannes de Doper. "Het volk was vol verwachting en iedereen stelde zich aangaande Johannes de Doper de vraag, of hij niet de Messias zou zijn." Nee, zegt Johannes de Doper, ik ben de voorloper, "ik doop u met water, maar er komt Iemand die sterker is dan ik; ik ben niet waardig de riem van zijn sandalen los te maken. Hij zal u dopen met de heilige Geest en met vuur." Ik ben het niet. Hij is er nog niet, maar Hij komt. En als Hij dan gekomen is, dan laat diezelfde Johannes de Doper vanuit de gevangenis door zijn leerlingen aan Jezus de vraag stellen: "Zijt Gij de Komende, of hebben wij een ander te verwachten?" (Mt 11,3; vgl. Lc 7,19.20). Is Hij nu gekomen, of niet?

Misschien zult u zeggen: 'Ze verwachten eigenlijk iemand met een sterke hand, zoals een sterke held, waarover de profeet Sefanja spreekt: "De Heer, uw God, is bij u als een reddende held", en van wie Johannes zegt: "De wan heeft hij in zijn hand om zijn dorsvloer grondig te zuiveren", om met harde hand een grondige zuivering door te voeren in maatschappij en Kerk, "en zijn tarwe te verzamelen in de schuur, maar het kaf te verbranden in onblusbaar vuur." Hier wordt een voorproef genomen op de scheiding van de geesten: de goeden worden beloond, de kwaden worden gestraft.

Maar bij Jezus' komst blijkt niets van dat alles, en daarom liet Johannes de Doper, "toen hij in de gevangenis hoorde van de werken van de Christus", die vraag stellen. Er werd niets gezuiverd, er werd niets gestraft, niets beloond. Alles bleef bij het oude, alhoewel, niet helemaal, want er werden zieken door Jezus genezen, lammen liepen weer, doven hoorden weer, blinden konden weer zien. Maar dat waren nu net de werken waar niemand op zat te wachten. Wat is dan het teken van zijn komst, dat Hij het werkelijk is? Is het niet zo, dat van zijn werkelijke aanwezigheid evenmin een teken te geven is als van zijn komen en zijn wederkomen? Wat kan Hij voor teken laten zien? "Geen teken zal er aan dit geslacht gegeven worden", zegt Jezus (Mc 8,12). Geen enkel teken zal er gegeven worden, het zal er ineens zijn, zoals in de dagen van Noach de zondvloed er ineens was (vgl. Mt 24,37-40; Lc 17,26.27). Of zoals het is met een aardbeving, die zie je ook niet aankomen, het gebeurt ineens. Zo is er ook helemaal niets in je ervaringsveld, wat er in de verste verte ook maar op kan wijzen dat de Mensenzoon komt. Er is niets te zien of te ervaren.

Jezus komt vanuit een andere wereld, vanuit een andere dimensie, vanuit een andere ervaringswereld. Het is geen feitelijke werkelijkheid, die mensen met digitale technologie te voorschijn kunnen toveren, maar het is een goddelijke realiteit. Vanuit die goddelijke werkelijkheid komt Hij en vanuit die goddelijke werkelijkheid is Hij. Dat is zijn manier van komen en dat is zijn manier van zijn, van aanwezig zijn én dat was dan ook zijn manier van Zich ophouden tussen de mensen. Er is niets aan te zien, tenminste, niets bijzonders. "Is Hij niet de zoon van Jozef (Lc 4,22), en "wonen zijn zusters niet bij ons?" (Mt 13,56; vgl Lc 6,3). Hoe kan Hij dan zeggen dat Hij uit de hemel komt? Er moet toch iets van te zien zijn, iets hemels? Nu, als jullie nu per se een teken willen hebben, dan zullen jullie "geen ander teken krijgen dan dat van de profeet Jona." ... "Zoals namelijk Jona drie dagen en drie nachten verbleef in de buik van het zeemonster, zo zal de Mensenzoon - en dat is dan zijn teken - drie dagen en drie nachten verblijven in de schoot van de aarde" (Mt 12,39.40). Maar op zo'n teken zitten ze niet te wachten, want dat is nu net het tegendeel van een teken. Het is niet alleen geen teken, het is een anti-teken. Als Hij in de schoot van de aarde verblijft, dan betekent dat, dat Hij weg is, helemaal weg. Je kunt over Hem heenlopen, zoals je over een grafplaat kunt heenlopen. Geen ander teken dus dan dit teken!

Eigenlijk zei Johannes de Doper dat ook al. Op de vraag: "Wat moeten wij dan doen?", wat moeten wij doen om te laten zien dat wij Hem verwachten?, antwoordt hij: Je moet niets bijzonders doen, je moet alleen maar datgene doen, wat je als mens moet doen. Als je meer hebt, zoals voedsel en kleding, "deel dan met wie niets heeft." Als je soldaat bent, moet je "niemand uitplunderen." En als je een tollenaar bent, moet je gewoon je beroep uitoefenen en "niet méér vragen dan voor u is vastgesteld." Je hoeft dus niets bijzonders te doen. Hij, de Komende, gewoon mens, wij gewoon mens.

Aan het oude menszijn met zijn kwalen, met zijn structuren, met zijn ondeugden, met zijn vele kwaad, met zijn tekorten, met zijn zwakheden, daaraan verandert niets. Dat blijft. En wat is dan het nieuwe? Het nieuwe is dat u een nieuwe geest ontvangt, en daarin een nieuw vuur. "Hij zal u dopen met de heilige Geest en met vuur." Dat is niet het vuur van het oordeel, "het onblusbare vuur waarin het kaf wordt verbrand", maar dat is het zachte vuur van de heilige Geest, dat niet verslindt en verblindt, maar vergeeft en met zachte hand geneest zoals Jezus. "Lammen lopen, blinden zien, doven horen, melaatsen genezen, doden staan op en armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd" (Mt 11,5; vgl. Lc 7,22; naar Js 35,5.6; 61,1). "Uitermate verheugt Hij Zich om u", zegt de profeet Sefanja, "door zijn liefde maakt Hij u nieuw," door zijn heilige Geest. Hij doet dat door op een andere manier, vanuit een ander innerlijk, vanuit een nieuwe bezieling, het oude menszijn met zijn vele kwaad te dragen, te verdragen, te dulden, in verwachting dat Hij zal doen wat wij niet kunnen en ook niet hoeven te doen: het kwaad weg te nemen uit onze wereld. Wij hoeven niets anders te doen dan het kwaad te laten wegnemen uit ons hart. Dat is ons heilig geloof en dat willen wij straks in de geloofsbelijdenis vernieuwen.