4e zondag van de advent (2006)

Beste Vrienden,

Advent, dat is uitzien, dat is verwachting.
we hebben profeten om die verwachting,
die toekomst onder woorden te brengen.
Zoals Micha mag zeggen:
niet langer aan je lot overgelaten, volk van God,
Hij zal jullie weiden, een man van vrede. Hij die geboren wordt.

Verwachting;
wie weet daar meer van dan een vrouw in verwachting.
Hier in het evangelie zijn zelfs twee vrouwen
die de verwachting het meest duidelijk belichamen :
Elisabeth en Maria.
Twee vrouwen die de verwachting belichamen:

Elisabeth, de oude vrouw, te oud voor kinderen,
Elisabeth, de voorname vrouw, uit de priesterklasse,
Elisabeth, de stadse vrouw, uit het trotse Jerusalem.
En tegenover Elisabeth, staat dan Maria,
een jong ding nog, weliswaar familie, maar lang niet
zo voornaam en afkomstig uit het verre - zeg maar
heidense - Galilea, uit Nazareth.

Voor Lukas is het duidelijk :
Waar we naar uitzien, verwachten, dat begint hier
hier begint de omkering die God op het oog heeft, -
om is het juister om te zeggen : de rechtzetting,

want waarom zouden we de op zijn kop gezette wereld tot uitgangs-punt nemen -
dus niet langer : deze wereld omgekeerd ;
maar deze wereld eindelijk weer op zijn pootjes ;
zoals het vanaf het begin bedoeld was,
met aandacht voor wie tekort komen , de kleinen, zoals U en ik
die wereld waar Maria van zingt : in haar Magnificat.

Rechtzetting dus,
ook in de verhouding tussen de twee vrouwen;
want Elisabeth geeft de eer aan Maria ;
jij bent de meest gezegende van alle vrouwen.
en in de gezegende mag iedereen altijd toch nog de
zegen van God horen ;
en een vrouw in gezegende omstandigheden is
taalgebruik dat weliswaar ouderwets en verhullend is,
maar het is ook heel duidelijk ; zeker als ze het als
zegen ervaart ; en dat mag je van de twee vrouwen
hier in elk geval wel zeggen.
Jij bent de gezegende, zegt Elisabeth,
En hoewel ze zelf tenslotte in haar zesde maand was,
noemt zij Maria de gezegende ;
en hoewel Elisabeth zich heel bewust geweest zal zijn
van Gods betrokkenheid bij haar kind,
zij zegt tegen Maria :
gezegend van God is de vrucht van jouw schoot.

Het is ook niet Elisabeth die hier aan het woord is,
zegt Lucas,
het is de volheid van Gods Geest die over haar was,
zoals ook de volheid van Gods Geest over Maria was.

Het gaat om de twee vruchten,
ook in de ontmoeting van de zwangeren ;
die twee kinderen die aangekondigd zijn als kinderen
van Gods betrokkenheid,
die twee ontmoeten elkaar hier,
en in die twee komt naar voren :
het gaat om de ene, om dat kind dat genoemd zal
worden Jesjoea. Jezus. God is die redt.
En de moeders hebben het in de gaten :
het gaat om God, daarom wordt er gezongen,
en van wie anders dan van God.

Ik zal er zijn voor jou.
Oh, God, wat hebben we jouw er-zijn nodig.
Dat we kunnen geloven dat je er bent,
dat we kunnen geloven dat jij je om ons druk
maakt,
Maria wilde er zijn,
bij Elisabeth, haar nicht.
Maria die aanvoelt : hier ben ik nodig.
en Maria die antwoordt : ik ben er voor jou.

Is dat niet precies waar in de bijbel de naam van God voor staat ;
ik ben er voor jou, dat is mijn naam.
Maria maakt die naam van God waar bij Elisabeth,
Maria beantwoordt aan haar roeping als gelovige mens,
om voor elkaar de naam van God gestalte te geven.

Dat is wat ten diepste het kerk-zijn is :
een gemeenschap van mensen die elkaar laten zien, in daden -
dat ze er zijn voor elkaar,
natuurlijk is het zelfoverschatting als wij menen dat dat het karakter van onze kerk is, we zouden wel willen -
maar het is wel wezenlijk dat we steeds weer gewezen worden op die uitdaging,
want het maakt wel het wezen uit van wat we bedoeld zijn,
waartoe we geroepen zijn.
Daartoe dopen we, jullie Pedro,
opdat hij weet: bij die kerk hoor ik,
die de naam van God aan elkaar laten zien.