Jong vuur water oud (2001)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 198 niet laden

IN EEN HEILIG LANDSCHAP

In de oudheid koesterde de mens diepe eerbied voor de natuur. Hij was er afhankelijk van. Droogte betekende honger. De aarde kon wispelturig zijn. Water was kostbaar. Vuur moest je temmen. In de lucht hapte een pasgeborene naar leven. Men zag de schepping als opgebouwd uit vier elementen: water en vuur, aarde en lucht. Heilig waren de plekken, waar deze vier elementen samenkwamen. Daarom werden bronnen vereerd, want hun waterspiegel was het trefpunt van aarde en water en licht en lucht. Ze werden toevertrouwd aan een godenpaar. Christen maakten er heiligen van.
Het verhaal van vandaag speelt zich af aan de oever van het meer, waar het water land ontmoet, waar licht en lucht samenkomen. Ten overvloede brandt er aan het strand een houtskoolvuur.

In dit heilig landschap ervaren de leerlingen hun gedode meester. De ontmoeting wordt raadselachtig beschreven. Jezus is er wel, maar ze herkennen hem niet. Hij heeft het uiterlijk van een onbekende voorbijganger. Hij is geen spook; hij eet en drinkt. Hij is er in een ander. Hij daagt plotseling even op in iemand die vergeeft en brood deelt. Je weet nooit wanneer en in wie, en aldus heiligt hij alle mensen met de mogelijkheid van zijn verschijnen.

Dan vangen de leerlingen 153 grote vissen. Merkwaardig getal: 153! Wat kun je daar van maken? Cijfers betekenen altijd iets in de bijbel: zeven, twaalf, drie, veertig... Dus waarvoor staat 153? Vroeger kregen we deze verklaring: biologen in de oudheid meenden dat er 153 soorten vis bestonden. Johannes zou bedoelen dat de leerlingen de opdracht hadden om alle volkeren ter wereld toe te laten. Iedereen is welkom.

Het is een heilige plek hier aan de oever van het meer. Aarde en water, vuur en lucht ontmoeten elkaar. In elke ander kan Jezus plotseling verschijnen als een barmhartige voorbijganger. Er wordt gedeeld en gegeten, vis en brood. En er wordt nagetafeld. Ze zitten nog wat te praten. Het gesprek gaat over vriendschap en vertrouwen. Daar gaat natafelen altijd over. Over dat we elkaar mogen en blij zijn met elkaar. In dat verband wordt Petrus aangewezen als de herder van de wereldwijde kudde.

Dat lijkt de bedoeling van het verhaal. Johannes had zijn boek al afgesloten met de mededeling dat deze verhalen waren opgetekend opdat wij zouden geloven. Maar later heeft men de scene aan het strand toegevoegd om vast te stellen dat de opvolger van Petrus de voornaamste apostel was. Er waren ook christenen die Johannes meer gezag toekenden. Johannes was immers de enige die Jezus tot in de dood trouw was gebleven. Was goede vrijdag niet de echte Paas-datum? Was Jezus om drie uur niet uit het tijdelijke binnengetreden in Gods heerlijkheid? Tegen deze opvatting in wordt hier het gezag van Petrus geprofileerd. ‘Hou je van me?’, vraagt Jezus. Hij vraagt het drie keer. Dat vindt Petrus twee keer teveel. Hij ergert zich hoorbaar. Maar Jezus wil hem plagen. Petrus had hem immers ook drie keer verloochend!

TOEN JE JONG WAS....

Dan gebruikt Jezus een schitterend beeld. Petrus moet niet denken dat herder-zijn alleen maar leuk is. Toen je jong was trok je zelf je broek aan en bond je je schoenen dicht, dan pakte je de fiets en je reed de Cauberg op. Toen je jong was klom je uit de box en kroop naar de gordijnen om je eraan op te trekken. Toen je jong was pakte je je koffertje om weg te lopen. Toen je jong was gaf je je in de disco over aan ritme en extase. Toen je jong was vloog je naar Thailand; kampeerde aan het strand; ontmoette een partner voor het leven. Toen je jong was leerde je een vak, verdiende je geld en bouwde een huis. Dat was leven.

ALS JE OUD BENT...

Maar als je oud bent, zegt Jezus, dan strek je hulpeloos je handen uit, dan komt iemand anders je omgorden; dan komt een zuster je de kousen aantrekken; dan komt een verzorgster je wassen, soms om negen uur, soms om halftwaalf. Ze heeft het druk. Als je oud bent dan komen ze je halen en brengen je op een brancard naar de kliniek. Als je oud bent dan helpen anderen je op het toilet; dan ben je afhankelijk. Als je oud bent, jij vurige Petrus, dan word je gekruisigd. Als je oud bent dan moet je je overgeven aan de genade en ongenade van anderen. Jezus tekent een schrikbeeld dat van alle tijden is: we vrezen die afhankelijkheid.

Maar soms gebeurt het dat vrouw en kinderen een klein wonder meemaken.  Ze ontdekken in hun lieve zieke een nieuwe zachte kant; een man die dankbaar elk klein gebaar waardeert en die de anderen toelaat en zijn lot uit handen geeft en aan de zijnen toevertrouwd en ze beleven dat als een kroon op zijn leven. Liggend en moeizaam sprekend geniet de zieke ervan hoezeer anderen om hem geven; hoeveel moeite hij anderen waard is. Het leven wordt toch weer genade.

Dit was het paasverhaal aan het meer van Galilea, waar het water de aarde kust en het vuur met water speelt; waar in liefde nagetafeld wordt. Waar Jezus leeft!

IETS TE DUWEN

Lieve kinderen. Eva was op bezoek bij oma. Als ze ongeveer een halfuurtje daar was riep oma: ‘En nou heb ik nog een verrassing’. Dan stond ze langzaam op uit haar stoel en met een looprekje ging ze naar de kast. Daar toverde ze een tompouce te voorschijn. Die mocht Eva met de handen eten. Op een andere manier gaat dat trouwens niet. ‘Mamma loopt met de kinderwagen en jij loopt met het looprekje, hè’, riep Eva. Dat is waar. Meisjes lopen met de poppenwagen; moeders met de kinderwagen, vrouwen met een winkelwagen en oma’s met een looprek. Als ze maar iets te duwen hebben. ‘Ik ben blij dat ik het nog kan’, zuchtte oma. ‘Straks zit ik misschien in een rolstoel’. ‘Dat is leuk’, riep Eva enthousiast, ‘mag ik je dan duwen?’ Oma moest lachen. ‘Dat zou leuk zijn. Als ik niet meer kan lopen dan mag jij me duwen; dan heb ik toch nog iets om me op te verheugen’. ‘s Avonds in bed had Eva nog een vraag. ‘Word ik later ook zo oud? Moet ik dan ook in de rolstoel?’ ‘Misschien wel’, zei mamma, ‘en misschien heb je dan ook een kleinkindje dat je overal heen wil duwen’. Een beetje tobberig viel Eva in slaap. Oud worden is niet alles. Hè Petrus...?!