Zwoegen in de nacht

Simon, hebt gij mij waarlijk lief.
Toen de leerlingen van Jezus werden aangebracht bij de tempelpolitie was er grote paniek. Wat moeten we met deze lui?
De meesten wilde harde maatregelen maar één niet: Gamaliël.

(Afgelopen donderdag lazen we het stukje voorafgaande
aan de eerste lezing van vandaag, dat over hem ging).
Terwijl iedereen zich opwond zei hij, heel wijs:
' Maak je toch niet dik, laat je niet in met deze mensen;
laat hen begaan.
Want als het mensenwerk is wat zij willen en doen,
zal het op niets uitlopen;
maar komt het van God dan kun je toch niet tegen hen op
en blijf je je verzetten dan zou zelfs kunnen blijken
dat je je zich tegen God verzet' (Handelingen 5,38-39).
Gamaliël (zijn naam betekent: ‘God heeft mij goed gedaan')
was een kleinzoon van de beroemde Schriftgeleerde Hillel,
zelf ook een Schriftgeleerde en van de partij der Farizeeën,
een kleinzoon van Rabbi Hillel,
van wie veel uitspraken in de Joodse Talmud staan.
Aan de voorspraak van Gamaliël is het te danken
dat de apostelen Petrus en Johannes worden vrijgelaten door de hoge raad.
Hij was een wijs man,
in zijn schoolklas had ook een jongetje gezeten
die Saulus heette, de latere apostel Paulus.
Volgens een christelijke legende
zou Gamaliël in het geheim christen geweest zijn.
Volgens de joodse traditie
was hij een van de meest beroemde schriftgeleerden.
Hij was onder de indruk van de kracht van de christenen
hoe hadden ze die gekregen ?
Van zichzelf zomaar.. neen van God en van Zijn gezondene Jezus.
Hij had ze, dat hoorde u in het evangelie,
na zijn dood weer op de been had gebracht.

De vissers bij het meer zwoegden eerst alleen, zonder resultaat.
Maar dan blijkt dat de Verrezen Heer
hen niet maar in hun eentje laat ploeteren.
Hij vraagt hen: 'Hebben jullie soms wat vis?'
Een vraag van God, een vraag van Jezus in de bijbel
is nooit zomaar een vraag om wat informatie.
Het zijn vragen die een mens bij de waarheid, bij de essentie willen brengen. 'Adam, waar ben je?' vroeg God aan de eerste mens.
Maar Adam had zich verstopt, uit schaamte. 'Kain, waar is je broer?'
Kaïn weet maar al te goed waar zijn broer is,
maar hij probeert de vraag van God te ontlopen.
'Maria Magdalena, waarom huil je?' want door verdriet overmand
zoekt zij de Levende bij de doden.
'Hebben jullie soms wat vis?' vraagt Jezus aan de vissers,
en die antwoorden, na een nacht vergeefs proberen, kortaf met 'nee'.
Wat vissers van mensen zijn mag betekenen weten ze niet,
en het lijkt wel of het gewone vissen hen ook niet meer lukt.
Maar de vreemdeling op de kant slaagt er op de een of andere manier toch in
hun moedeloosheid te doorbreken.
De vissers bij het meer van Tiberias
zullen het Goede Nieuws van Jezus gaan verkondigen.
Tot de einden der aarde zal het verhaal worden verstaan.

Tot het moment van die grote vangst
hadden de leerlingen Jezus nog niet herkend.
Het vertelt het verhaal van gelovige mensen van alle tijden,
die nu eenmaal niet altijd meteen zien,
misschien door de harde werkelijkheid van alledag
niet eens meer echt rekenen op de steun van de Heer.
Maar ineens ontdekken ze: Hij is nabij!

Jezus had zijn leerlingen om vis gevraagd, maar
zag Petrus tot zijn stomme verbazing, die ligt al klaar.
Een mens leeft niet van wat hij zelf aandraagt,
maar van wat hem van Godswege is bereid.
En dan mag hij ook het zijne aandragen:
‘Breng de vissen die JULLIE gevangen hebben aan land.'
En dan is het Simon Petrus die de vissen aan land brengt.
Jezus geeft Petrus het vertrouwen dat hij nodig heeft,
om verder gaan met zijn werk.
Een vertrouwen, dat op liefde gebaseerd is.
En een opdracht, die met liefde te maken heeft:
‘zorg voor mijn kudde', draag Gods liefde voor mensen uit.

Daar hoort spijt bij over de fouten en nalatigheden
maar ook de wil om weer door te gaan.
Petrus die hem ontrouw was geworden -tot driemaal toe-
krijgt weer een nieuwe kans.
'Heb je mij waarlijk lief' wordt hem ge¬vraagd. Driemaal!

In de prachtige Johannes passie
gecomponeerd door Mgr. Valkestein die hier op de goede vrijdag klonk
werd naar muzikaal naar dit evangelie verwezen.

Als Jezus alleen staat voor zijn vervolgers
en Petrus tot driemaal toe zegt
dat hij hem niet kent zingt het koor al stilletjes
de vraag die we vandaag hoorden tussendoor:
‘Simon hebt ge mij waarlijk lief?'

Een vraag die steeds opnieuw,
misschien meer dan driemaal
ook aan ons, vooral aan ons, gesteld mag worden:
of wij Hem werkelijk lief hebben onze Heer.

Petrus zal wil hij zijn heer ontmoeten opnieuw moeten beginnen,
naakt als het ware net als wij
en daarna zal hij een brede zee moeten overzwemmen
om hem te bereiken
en tot driemaal toe de test-vraag doorstaan.

Willen wij als kerk onze Heer weer ontmoeten
dan zullen wij ook heel wat bescheidener moeten zijn
dan wij tot nu toe waren.

Enkele jaren terug hebben de Nederlandse bisschoppen
twee brieven doen uitgaan
-ik mag nu na bijna acht jaren
toch wel onthullen dat die
in onze Bavo-pastorie gemaakt zijn-
over onze christelijke houding tegenover de joden in de laatste wereldoorlog.
In de brieven wordt gesproken over de ontstellende vraag
hoe het mogelijk was dat onder onze eigen ogen
mensen werden vermoord alleen maar om het simpele feit
dat ze joden of zigeuners waren of homosexuelen.
Er zijn gevoelens van dankbaarheid
over de duidelijke taal die toentertijd kardinaal de Jong
de bekende Titus Brandsma maar ook onze eigen bisschop Huibers lieten horen.
Maar toch zullen we bescheiden moeten zijn en ons afvragen:
hadden wij we niet veel meer kunnen doen?

We zullen onze fouten mogen en moeten erkennen
om Jezus als onze Heer eerlijk tegemoet te treden
om dan de vraag ook weer herhaald gesteld te krijgen:
ben je werkelijk gelovig geweest zoals dat hoort...
‘heb je mij waarlijk lief.
Als we fouten durven erkennen,
de vernedering aandurven zoals ook Petrus die zo dapper heeft doorstaan
kunnen wij opnieuw 'van de Heer' worden,
opnieuw aan het werk gaan en anderen er bij gaan roepen.

De weg van de solidariteit met zijn Heer
zal Petrus uiteindelijk brengen
tot het meest duidelijke getuigenis, het martelaarschap.

En op een heuvel, nu niet in Jeruzalem maar in Rome,
zal het kruis opgericht staan waaraan Petrus geslagen werd,
volgens de traditie met zijn hoofd naar beneden
omdat hij zich niet waardig achtte
dezelfde houding aan het kruis aan te nemen als zijn Heer.
Een nieuw volk is ontstaan met Petrus
als bewaarder van de vissen die in zijn net gevangen zijn.
De vissen: 153 tenslotte. Waarom dat getal ?
In Engeland is een kostschool in de buurt van Londen
die altijd precies 153 leerlingen aanneemt
als verwijzing naar dit verhaal.

Het is volgens een mening precies het aantal volkeren
dat in Jezus' dagen bekend was.
Maar er is nog een diepzinniger oplossing voor het mysterie van de 153.

Welnu bisschop Augustinus helpt ons.
Ik heb het gisteren nog op mijn rekenmachientje nagerekend en het klopt.
Als we de getallen vanaf 0 opklimmend naar boven
achtereenvolgens bij elkaar optellen, 0+1+2+3 enzovoorts
komen we op 153 terecht als we bij het getal 17 zijn aangekomen.
En dat is een heilig getal: 10 + 7.
10 is het getal van de Wet, de 10 geboden
en 7 het getal van de Heilige Geest
die zijn zeven gaven geeft, vandaar ook 7 sacramenten.


Samenvattend: een nieuw volk komt in zicht
van mensen trouw aan de Wet,
vervuld van de gaven van de Heilige Geest:
wij willen proberen in deze dagen,
opgaande van Pasen naar Pinksteren
zulke mensen te worden.

Gamaliël was onder de indruk van de kracht
van de jonge christenen van toen
ook wij weten nu waar onze kracht zit:
niet in onze geweldige prestaties
maar in de Heer die ons, u mij aanvaardt
ons activeert tot onverwacht nieuwe dingen
steeds weer, ook vandaag.
AMEN