Installatie van een straatpastor (2008)

Goede mensen van de straat, mensen onderweg,

Een vrouw krijgt de handen opgelegd als ze al 18 jaar bezeten is door een geest. Ze is in die tijd kromgebogen van haar ziekte. Ze kon met geen mogelijkheid rechtop staan, lazen we. Een vrouw die klein is gemaakt of klein is geworden, in de loop van al die jaren verder en verder verstopt voor anderen. Weggegaan of weggedáán uit onze wereld. Jezus legt haar de handen op en ze richt zich op. Rechtop. Wat is het dat haar geneest? Zomaar een wonder, een mirakel?

 

Wat er gebeurt is dat Jezus haar ziet en roept. Hij neemt geen genoegen met haar kleinheid en gaat iets met haar aan. Maakt verbinding, contact, een relatie. Een hand op haar gelegd, iemand die de kloof overbrugt tussen haar en een wereld waar ze niet mee bij kan. Iemand die het soort brug slaat waar wij ook behoefte aan hebben, durf ik te zeggen.

Ook in dit prachtige Amersfoort. Want wij weten, en daarom zitten we hier, dat het gebeurt: dat het misgaat in je leven, dat het anders loopt dan je had bedoeld. Dat je vlucht voor het geweld thuis, voor de chaos in je hoofd, of voor je eigen verleden. Dat je uit schaamte weggaat of middelen gaat gebruiken om het een beetje uit te kunnen houden. Dat je zo afhankelijk wordt van alcohol of drugs dat je niet meer jezelf bent. Dat je anders wordt en kleiner, dat je minder in contact bent met het goede in jezelf. En dan ben je je thuis kwijt. Soms raak je er veel meer mee kwijt: een geliefde. Kinderen. Verantwoordelijkheden. Werk. Zekerheden, gezondheid. Je geaccepteerde plek in de samenleving.

 

En dan, het kan gebeuren, sta je op een hoek. Een achterkant, ergens waar je niet gezien wordt. Dat je maar niet verder opgejaagd, uitgescholden, weggewenst uit onze wereld. Een wereld die van iemand is, maar altijd van iemand anders. Je maakt er geen deel van uit. Het speelt zich rondom je af en je bent er voortdurend mee in gevecht. Niet gewenst in winkels, niet in een huis, niet in je land, niet op straat als je een biertje in de hand hebt, Nergens blijven.

 

Het kan gebeuren, hoe dan ook, dat je in gevecht raakt, Met instanties. Met hulpverleners zelfs, omdat je maar niet elkaar begrijpt. Omdat je iets wilt dat niet meteen kan in de logica van de ander. Omdat je niet eens een vraag stelt, maar alleen aanwezig bent met je zichtbare gebrek, je pijn, je gedrag dat anders is dan dat van anderen. Het kan gebeuren dat je in gevecht raakt met anderen. Omdat je ongemak oplevert. Omdat een voorbijganger het nooit goed kan doen, want je weet dat je het echte probleem niet oplost. Een gevecht met de samenleving.

Lucas geeft daar ook een mooi voorbeeld van in dit verhaal: er is een vrouw in de tempel, Jezus neemt initiatief naar haar en de leider van de synagoge roept naar de menigte, niet eens naar één van die twee, maar naar de anderen die mogelijk ook nog iets van Jezus willen: let op, als je wil dat je genezen wordt, fout! Dan moet je niet hier zijn. Niet vandaag. Niet op de sabbath. Komt u terug binnen kantoortijden. U heeft de verkeerde vraag gesteld, u bent op de verkeerde plek. Men mag vast wel komen bidden in de synagoge, maar genezen worden zit er niet in.

 

Soms begrijpen we elkaar niet, zelfs al proberen we elkaar te bereiken. Soms doet het ook vooral pijn als je iemand ongelukkig ziet en je kunt er niets aan doen. Omdat je net dát wat de ander wenst, niet kunt geven. Of omdat je, op straat bezig met je eerste levensbehoeften, eigenlijk helemaal niet meer weet wat je verder nog wilt. Of je iets met die ander moet. Je spreekt een taal die niemand spreekt. Je hoort stemmen die niemand hoort. Je moet iets kopen waar niemand mag komen. Je moet iets doen dat niemand met je deelt. Alleen.

 

Het ergste lijden, geloof ik, is dat wat je alleen moet lijden. Het ergste is denk ik, als je in de hoek zit waar steeds maar weer de klappen vallen, en dan mensen die dat zo laten. Of er van uit gaan dat je het er zelf naar gemaakt hebt. Het ergste is denk ik, als het niemand lukt om een brug te slaan.

 

Iemand van jullie, iemand van de straat vroeg me: hou me vast.

 

Iemand vroeg me: doe je dit uit geloof of uit liefde ? Want hij vond dat uit geloof vooral plichten voortkomen. Ik denk dat hij eigenlijk vroeg: hoe echt ben je?

 

Blijf je of ga je weg als je werktijd erop zit ? Kan ik je vertrouwen? Sla je een arm om me heen of mag dat niet van je professionaliteit. Omdat het niet veilig is. Omdat je bang bent dat ik dan te veel van je ga vragen. Omdat je misschien niet echt om me geeft, maar het even zo leek?

 

We weten allemaal maar al te goed dat we genezingswonderen niet in onze achterzak hebben. Met al onze zorgvuldige hulp en opvang en medicijnen, kunnen we niet altijd de pijn en het verdriet wegdoen en oplossen. Wij zaten hier vandaag niet bij elkaar als we met een vingerknip de problemen konden laten verdwijnen. Dan waren wij geen mensen geweest. Menselijk. Met onze kwetsbaarheid. Met onze grenzen. Wij zaten hier vandaag niet bij elkaar als we niet ook onze mooie menselijkheid hadden, onze humaniteit.

 

Lucas vertelt over een ontmoeting over grenzen heen. Jezus die, ongeacht wat de leidinggevenden ervan vinden, in gaat op de nood van een vrouw die nergens meer was. Met zijn handen op haar, tilt hij haar op en groeit zij, gaat rechtop staan. Het woord anakupto, het hoofd oprichten, kun je ook vertalen met 'tot zichzelf komen'. Daar in dat verhaal worden relaties hersteld, wordt een kloof overbrugd. Daar komt iemand weer in contact met het goede in zichzelf, wat nog ongeschonden is. Los van de gewoontes van de Sabbath, de wetten, de werkuren, verbindt hij zich met haar en doet hij wat echt belangrijk is. Zo'n relatie bevrijdt haar. Uit de boeien van de duivel, staat er heel dramatisch: ze wordt bevrijd uit alles wat haar klein houdt. Wat het kan zijn geweest, die duivelse geest? We kunnen het in onze tijd wel invullen. In de relatie ontstaat iets van de bevrijding. Dan kan zij zich oprichten en dankbaar zijn.

 

Lucas schetst ons een samenleving waarin de hele dag door, het hele jaar, kleingeworden, kromgebogen mensen niet meer verstopt worden, niet meer klein blijven. Het is een visioen van een boom waarin alle vogels van de hemel een plek vinden om te nestelen en vruchtbaar te zijn en vrij. Dat zijn takken die draagkracht hebben voor vogels van verschillend pluimage.

 

Een samenleving waarin er ook plaats is voor mensen die vervelende vragen stellen op het moment dat het ons niet uitkomt. Waar plaats is voor mensen die klein geworden zijn. Dat zij een grote plaats krijgen in ons hart. Een samenleving waarin mensen zich laten raken, en dan niet proberen om mirakelen te verrichten, maar eenvoudig weg een ander te zien, te roepen en je te verbinden. Dan kunnen mensen tot zichzelf komen en rechtop gaan staan.


Moge het zo zijn.